Amarant, Alsemambrosia en Monsanto

In ons land is de combinatie van Roundup en speciaal daarvoor ontwikkelde planten nog steeds het onderwerp van verhitte discussies, maar in de Verenigde Staten is men dat stadium allang voorbij. Het Amerikaanse biotechnologiebedrijf Monsanto produceert de onkruidbestrijder glyfosaat, bekend onder de merknaam Roundup. Het ontwikkelt ook maïs- en sojabonenrassen die resistent zijn tegen de werking van die glyfosaat. Je kunt dus probleemloos je onkruid bestrijden, terwijl je teelt onbeschadigd blijft.

De natuur laat zich echter niet dwingen en past zich voortdurend aan. Tweehuizige amarant en alsemambrosia, beide lastig te bestrijden onkruiden, zijn ook in toenemende mate resistent geworden tegen glyfosaat. Als boer zit je dus met je handen in het haar: je spuit tegen onkruid en het onkruid vindt de herbicide lekker.
Monsanto heeft de slimme jongens in het laboratorium de opdracht gegeven om een oplossing te vinden. Die oplossing is er en die heeft de naam dicamba gekregen. Zoals zo vaak hoort er bij een oplossing een nieuw probleem: je moet dus ook dicamba-resistentie in een sojabonenras zien in te kruisen, want anders gaat die ook dood.

En dit seizoen heeft Monsanto in de Verenigde Staten een nieuw sojabonenras geïntroduceerd met de naam Roundup Ready 2 Xtend. Het is de onderzoekers van Monsanto gelukt om naast een glyfosaat-resistentie nu ook een dicamba-resistentie in een sojabonenras te kruisen.

Het grote nadeel van de stof dicamba is dat het middel erg dampt en gemakkelijk verwaaid. Veel meer dan glyfosaat dat doet. Daarom wordt het in de Verenigde Staten bijna alleen maar toegepast in een voor-opkomstbespuiting, wanneer nog nergens gewas boven de grond uitkomt.
Monsanto claimt dat ze er alles aan gedaan heeft om akkerbouwers op hun hart te drukken dat het nieuwe ras niét met diacamba mocht worden bespoten. Echter, de verleiding bleek uiteraard te groot en vele hebben dat wel gedaan. Een grote groep boeren in de American Midwest claimt nu dat hun niet-resistente gewassen door het verwaaien van het bestrijdingsmiddel schade hebben ondervonden van deze bespuitingen.

Overigens heerst ook al twijfel over het blijvende effect van diacamba. Zo toonden onderzoekers al in 2007 aan dat in slechts drie generaties amarant resistentie kan ontwikkelen tegen diacamba[1].

[1] Behrens et al: Dicamba Resistance: Enlarging and Preserving Biotechnology-Based Weed Management Strategies in Faculty Publications from the Center for Plant Science Innovation - 2007

Bleek cypergras

Het bleek cypergras (Cyperus eragrostis) heeft, ondanks zijn ietwat nietszeggende naam, een aantal beroemde familieleden. Allereerst is daar papyrus (Cyperus papyrus), de rietsoort (of beter: zeggesoort) waar men mogelijk in de begintijd van de pharao's (3100 vC) al papier van maakte. In Mexico wordt cañita (Cyperus giganteus) gebruikt bij de imheemse bevolking om slaapmatten (petates) en hoeden (sobreros) van te maken.
Bleek cypergras is inheems in wat vochtige gebieden van de westkust van Noord-Amerika, de zuidoostelijke delen van de USA, Jamaica en grote delen van Zuid-Amerika. Het is een tot 80 centimeter hoge overblijvende vaste plant. Biologen vinden hem een hemikryptofyt (winterknoppen op of iets onder de grond) of een helofyt (winterknoppen onder water, bloeiende plant boven water). In onze omgeving vertoont hij zich echter vaak als een eenjarige therofyt (zonder winterknoppen). Hij (of zij) is tweeslachtig en is in het bezit van bloemen met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen. Deze zeggesoort vormt grasachtige bladeren die in drie rijen boven elkaar staan ingeplant. De bladbasis is zwak roodbruin gestreept.

Bleek cypergras houdt van zonnige, warme plaatsen op natte, verstoorde grond. Meestal op plaatsen die 's winters onder water staan en van die vochtige plekjes is in Nederland geen gebrek.

In vele vakbladen wordt vaak gemeld dat het onbekend is hoe bleek cypergras er in is geslaagd om Europa te bereiken. De oudst bekende melding van bleek cypergras stamt al uit 1854 toen hij nabij Hamburg werd aangetroffen. Nederland werd net voor de Tweede Wereldoorlog bereikt. Ondertussen is de plant in vrijwel geheel Europa te vinden en dat is niet echt goed nieuws, want bleek cyperus is in staat om andere soorten te verdringen (to out-compete, zeggen de Engelsen) door sneller en vroeger te groeien dan andere planten.

Goed, we zeiden hierboven dat het officieel niet bekend is hoe bleek cypergras Europa heeft bereikt, maar ik kan je wel een suggestie aan de hand doen: “this species is often planted for its decorative value,” zo zegt een onderzoek. Verder kunnen zaadjes van bleek cypergras meegevoerd zijn als onkruid tussen andere geïmporteerde zaden, zoals graszaad en vogelzaad. Zelfs wol wordt genoemd als transportmiddel voor aangehechte zaadjes.

Zo zie je maar: als gevolg van de internationalisering van de handel zullen sommige planten iedere kans aangrijpen om zich naar verre oorden mee te laten liften.

Engelse veldiep

Iepen zijn forse bomen die in Noordwest-Europa na de laatste ijstijd verschenen. Men denkt dat het voornamelijk de veldiep (Ulmus minor) betrof. In Nederlandse bossen hadden de veldiepen tot ongeveer 3000 jaar geleden en belangrijke plaats. Daarna begon een langzame, maar voortdurende neergang, vermoedelijk als gevolg van klimaatveranderingen en menselijk ingrijpen. De bomen moesten steeds meer plaats maken voor grazige weiden. Hun standplaats bleek namelijk uiterst geschikt als weidegrond.

In de 20ste eeuw dook onder iepen een schimmelziekte op met verwoestende gevolgen: de iepziekte. Uit jaarringonderzoek bleek dat de eerste besmettingen hier al in 1918 hadden plaatsgevonden in iepen in Brabantse bossen.

Zoals zijn naam al aangeeft is de Engelse veldiep (Ulmus procera) voornamelijk te vinden in het Verenigd Koninkrijk. Laat je hem ongestoord groeien dan kan hij een hoogte bereiken van zo'n 35 meter. Hier werd de soort af en toe aangeplant. Ook de Engelse veldiep bleek zeer gevoelig te zijn voor deze schimmel.
De Engelse veldiep levert roodachtig bruin hout dat sterk, stevig en zwaar is en niet snel splijt. Het wordt vooral gebruikt voor meubels en voor doodskisten. Daarnaast is het bijvoorbeeld geschikt voor bruggen, heipalen en boten. Het hout is namelijk rijk aan looizuur en dat zorgt dat het minder snel vergaat dan andere houtsoorten.

Deze iepensoort is hier dus te beschouwen als een exoot omdat zijn wortels in Engelse bodem hebben gestaan. Maar dat is niet altijd het geval geweest. Recent wetenschappelijk onderzoek heeft namelijk uitgewezen dat álle Engelse Engelse veldiepen (woordgrapje, sorry) afkomstig zijn van één enkel stekje[1]. Uit moleculair en historisch onderzoek is namelijk gebleken dat de Romeinen een stekje meenamen vanuit Italië naar het Iberisch schiereiland en van daaruit naar Engeland.

Waarom deden die Romeinen al die moeite? Omdat het hout van de Engelse veldiep zeer geschikt was om druivenplanten te ondersteunen: de boom groeide snel en het hout bleek goed bestand tegen het kille en natte Engelse weer.

Omdat alle Engelse veldiepen dus clonen van elkaar zijn, bleken ze als soort ook extra gevoelig voor die iepziekte. Als er eentje ziek werd, waren immers alle andere ook niet bestand tegen de gevolgen van een besmetting. Er bleek nog geen of veel te weinig genetische variatie te zijn.

De Engelse veldiep is dus niet alleen hier een exoot, maar eigenlijk is hij het ook in zijn thuisland.

[1] Gil et al: Phylogeography: English elm is a 2,000-year-old Roman clone in Nature – 2004

Taiwanese rattenslang

De Taiwanese rattenslang (Orthriophis taeniurus) is inheems in Zuidoost-Azië waar men een behoorlijk aantal ondersoorten weet te onderscheiden. Deze slangensoort kan een lengte bereiken van twee meter en is een populair terrariumdier. De Taiwanese rattenslang is een niet-giftige wurgslang die nooit een mens zou durven aanvallen. In het wild eet deze slang vleermuizen, maar bij gebrek daaraan schakelen ze snel over op ratten, muizen, kleine vogels, hagedissen en padden.
U weet hoe het verhaal ondertussen gaat: het komt nogal eens voor dat dieren uit hun gevangenschap weten te 'ontsnappen' en in de meeste gevallen worden ze daarbij een handje geholpen door hun eigenaren die na verloop van tijd uitgekeken raken op hun huisdier. Omdat het zielig is om ze de nek om te draaien worden sommige huisdieren losgelaten in de vrije natuur.

Omdat het doorgaans gaat over erg kleine aantallen, leidt dit bijna nooit tot vestiging van populaties. Ondanks het feit dat slangen maanden zonder eten kunnen, hebben ze de grootste moeite om voldoende voedsel te vinden, ontbreken soortgenoten om zich succesvol voort te planten en overleven slechts weinig van deze koudbloedige dieren onze winters. Tenminste, zo gaat het zo vaak, maar soms gaat het anders.

De vondst van een Taiwanese rattenslang in 2006 in Hasselt (België) viel in eerste instantie ook onder de noemer 'ontsnapt' exemplaar. Omwille van haar mooie tekening en kleuren is ze een veel voorkomend reptiel in de dierenhandel. Intussen werd door het Natuurhulpcentrum van Opglabbeek al een twintigtal exemplaren van de soort opgehaald in Kuringen. De herkomst van de dieren lijkt te herleiden tot een Belgisch Limburgse terrariumzaak, de meeste exemplaren werden gevonden in een straal van 500 meter rond de zaak.
Met de ontdekking van een nest met 6 eieren langs de spoorweg in Kuringen bij Hasselt staat het onomstotelijk vast: de Taiwanese rattenslang plant zich voort bij onze zuiderburen. Dankzij het opwarmende microklimaat langs de sporen en vlak bij steden lijkt het erop dat de populatie van de slangensoort in de toekomst alleen maar zal groeien.

Helemaal als een verrassing kwam het nieuws niet: de voorbije jaren waren al vaker volwassen en jongere exemplaren opgedoken langs de spoorlijn in Kuringen, wat deed vermoeden dat er sprake was van voortplanting. De vondst van zes eieren door spoorwegarbeiders vorige week bevestigt dat vermoeden.

Wellicht gaat het om meer dan een toevalstreffer en zal de populatie de komende jaren verder groeien. In de koelere Vlaamse natuur zou de Taiwanese rattenslang geen kans maken om zich voort te planten, maar de warmtecondities vlak bij de sporen of vlak bij een stadskern, waar de temperatuur altijd enkele graden warmer is, sluiten dichter aan bij de natuurlijke levensomstandigheden voor de soort. Het uitblijven van strenge winters is voor de koudbloedige dieren wellicht ook een goede zaak. Ook voedsel vinden in onze contreien blijkt geen probleem.

Bron.

Portugese laurierkers

Als je op internet en in de folder van je plaatselijke tuincentrum de navolgende verhalen leest over de Portugese laurierkers (Prunus lusitanica) dan weet je al waartoe deze column gaat leiden.

De Portugese laurier is een schitterende haagplant met een luxueuze uitstraling. Deze uit Portugal stammende laurier heeft glanzende bladeren (6-12 cm. lang) en prachtige dieproze twijgen. De bloemen zijn klein en wit en geuren sterk. Dit maakt de Portugese laurier enorm populair bij passerende vlinders en bijen. Wanneer de bloemen zijn uitgebloeid vormt de Portugese laurier bessen die enorm populair zijn bij vogels.
We hebben hier alle ingrediënten aanwezig om een lastig te bestrijden exoot in onze natuur te introduceren: de handel meent dat een haag uit het buitenland beter is dan een inheemse oplossing en er wordt een appèl gedaan op onze wil om de zo kwetsbare natuur te beschermen. Is de Portugese laurier immers niet populair onder vlinders en bijen? Daarna vormt de soort bessen die gewild zijn bij vogels. Jazeker, wat we hier hebben is een recept voor ellende.

En dus was het geen verrassing dat bioloog Ton Denters een exemplaar aantrof op het Stenen Hoofd in Amsterdam. Het was nog maar het tweede exemplaar dat ooit in ons land werd waargenomen, maar neemt u maar van mij aan dat er nog veel meer Portugese laurierkersen zijn die zich onopgemerkt een plekje in onze natuur hebben verworven.

Het is op deze plaats al zo vaak gezegd dat we ons moeten bezinnen of het wel zo verstandig is om voortdurend exotische bloemen en planten uit het buitenland te introduceren, maar de discussie stemt mij niet hoopvol.

Nadat de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) recent het dringende advies uit liet gaan dat vakantiegangers geen stekjes meer uit landen als Italië zouden moeten meenemen omdat daar een bacterieziekte heerst die olijfboomgaarden verwoest, waren op Facebook de reacties op dat artikel niet van de lucht. De meest zweverige mensen (voornamelijk vrouwen, moet ik hier treurig genoeg opmerken) vonden dat het allemaal maar een complot was om de handel te beschermen of nog erger. Wat maakte het uit? Het maakt zoveel uit dat, als die bacterie ons land bereikt, hij geen olijfbomen kan aantasten, maar hij zal zich snel kunnen aanpassen. Dan infecteert hij bijvoorbeeld kersenbomen of andere gewassen. Als dan blijkt dat de prijs van eerste levensbehoeften als groenten en fruit dramatisch gaat stijgen, gaan we achteraf de put dempen, terwijl het kalf allang verdronken is.

Rivierkreeftenpest

We mopperen veel op de invasieve exoten die onze natuur de laatste jaren komen bevolken. Vaak heeft menselijk ingrijpen die introductie zelf op zijn geweten, maar we zouden het probleem ook eens van een andere kant kunnen bekijken.

De planeet Aarde is continu onderhevig aan veranderingen in levensvormen. Dan weer heerst die soort en dan weer een andere. Soorten sterven uit, soorten veranderen. Stel dat Darwin gelijk heeft en dat de door de mens verspreide soorten het zelf maar moeten uitvechten. Survival of the fittest in zijn puurste vorm.
[Foto: rivierkeeft.wordpress.com]
Een voorbeeld kan dit inzicht duidelijk maken. De Europese rivierkreeft (Astacus astacus) heeft het moeilijk in ons land en iedereen maakt zich druk over de opmars van allerlei exotische rivierkreeften. Zie bijvoorbeeld de Everglades moeraskreeft (Procambarus fallax) of de Californische rivierkreeft (Pacifastacus leniusculus). De voorstanders van onze ongerepte natuur maken zich sterk om al deze rivierkreeftjes het leven zo zuur mogelijk te maken. De EU heeft een vijftal soorten rivierkreeft zelfs op haar officiële dodenlijst gezet, waardoor lagere overheden meertjes en poeltjes moeten leegbaggeren als er een familie uitheemse rivierkreeftjes zijn intrek in heeft genomen.

Die nieuwe soorten zouden het leven van de (beschermde) Europese rivierkreeft zo moeilijk maken dat deze onze bescherming nodig zou hebben. De waarheid is iets anders: al rond 1870 dook plotseling de rivierkreeftenpest op. Dat is een ziektebeeld dat veroorzaakt wordt door een infectie met Aphanomyces astaci, een in het water levende schimmel. Opmerkelijk is dat de schimmel in strengere winters zelf sterft en dus hier eigenlijk niet thuis lijkt te horen.
De rivierkreeftenpest arriveerde al in 1859 in Europa en werd in Italië voor het eerst waargenomen toen Europese rivierkreeften daar plots veelvuldig het loodje legden. Men denkt dat de schimmel is meegereisd met uit Noord-Amerika geïmporteerde rivierkreeften. De Europese rivierkreeften hadden geen resistentie tegen deze ziekteverwekker en hun aantallen daalden dramatisch. Honderdvijftig jaar later heeft de Europese rivierkreeft nog steeds geen resistentie ontwikkeld en dat maakt hem een beetje een sukkel in de ogen van de evolutieleer van Charles Darwin.

Want als jij niet evolueert en je concurrentie wel dan moet je die concurrentie niet gaan uitroeien, maar die zou je eigenlijk moeten gaan koesteren. Bovendien zouden deze nieuwe rivierkreeftjes onze vaderlandse economie een aardige opsteker kunnen geven. Het blijft natuurlijk vreemd dat ze in Europa gearriveerd zijn omdat ze zo heerlijk smaken, maar dat Europese ambtenaren ze als hun doodsvijanden zien.

De bestrijding van deze 'vijand' kost veel geld en er is een hele keten verzonnen om die bestrijding in goede banen te leiden. Laat die 'subsidieslurpers' nu eens een stapje terug doen en laat de commercie gewoon zijn gang gaan.

Citrus Exocortis Viroid (CEVd)

Citrus exocortis is een ziekte die bij citrusbomen voorkomt en het wordt veroorzaakt door een piepkleine viroïde met de naam Citrus Exocortis Viroid (CEVd). Het kan een verminderde groei en een mindere opbrengst veroorzaken.

Het probleem is dat citrusbomen geënt moeten worden en de onderstam is vaak de Japanse bittere sinaasappel (Citrus trifoliata). Daarop ent men de sinaasappel, citroen of mandarijn. Laat nu die Citrus Exocortis Viroïde het vooral gemunt hebben op die Japanse bittere sinaasappel. Zorgvuldige selectie van de onderstammen heeft er wel voor gezorgd dat men een infectie met de Citrus Exocortis Viroïde zo veel mogelijk kan beperken, maar af en toe ontstaat er toch weer een vervelende infectie.

In Australië, waar het ziektebeeld rond 1930 voor het eerst werd waargenomen, noemt met het scaly butt ofwel 'schilferige stam'. De onderzijde van de stam, dát deel was immers een Japanse bittere sinaasappel, vertoont een schilferige bast.
Tegewoordig is de ziekte vrijwel wereldwijd aanwezig in bijna alle citrusproducerende regio's. Hoewel veel van de commercieel verbouwde citrusbomen symptoomloze dragers van de Citrus Exocortis Viroïde zijn, kan het toch voorkomen dat sommige exemplaren, waarvan men dacht dat ze tolerant (niet: resistent) zijn, wat achterblijven in de groei.

Nu bent u natuurlijk nauwelijks ongerust geworden omdat we hier in Nederland geen citrusvruchten verbouwen. Toch zijn we lang niet veilig voor deze lastpak omdat hij zich blijkbaar ook thuis voelt op een belangrijk gewas als tomaat. In tomaten leidt een infectie tot een vreemde groei van de bladeren: epinastie. Daarbij groeit de bovenkant van de bladeren sneller als de onderkant, waardoor de bladeren zich gaan oprollen. Opgerolde bladeren zijn ongeschikt voor fotosynthese en de plant zal verwelken.

Komt het Citrus Exocortis Viroid (CEVd) voor in Nederland? Voor het antwoord op deze belangrijke vraag gaan we naar de nVWA: Viroïden behorende tot de groep van de pospiviroiden - Potato Spindle Tuber Viroid (PSTVd), Citrus Exocortis Viroid (CEVd) en Columnea Latent Viroid (CLVd) - zijn verschillende malen vastgesteld in Nederlandse tomatenteelten, soms met ernstige schade. In de meeste gevallen bleef de oorsprong van de infecties onbekend.

Hoewel de oorsprong in Nederland vaak onbekend lijkt te blijven zijn er toch wel enkele verdachten aan te wijzen, want onderzoek heeft uitgewezen dat deze viroïde zich over de wereld verplaatst nadat hij zich heeft verstopt in populaire tuinplanten als verbena of springzaad. Het advies is dus om geen tuingereedschap te gebruiken in je tomatenkas.

Sainfoin (of Esparcette)

Sainfoin (Onobrychis viciifolia) is een oud gewas dat medio twintigste eeuw in de vergetelheid raakte. De sainfoin is een plant uit de vlinderbloemenfamilie (Leguminosae) en dat toont hij door in bloeiende vorm veel op lupine (Lupinus spp.) te lijken. In het zuiden van Europa is hij langs de weg of in droge graslanden te vinden. De plant komt in Nederland zowel gekweekt als verwilderd voor, maar is dus gewoon een exoot.

Sainfoin bloeit van mei tot september met een donkerroze bloemkroon. De bloemen vormen een gerekte kegelvormige tros, terwijl een individuele bloem een doorsnede van circa één centimeter heeft. Uiteindelijk draagt de plant een peul die niet openspringt. Deze peul is maar klein, slechts tot acht millimeter lang en heeft stekelige kanten.
De heilzame werking van de vlinderbloemige als veevoer was al in een ver verleden bekend. Sainfoin betekent ‘gezond hooi’ in het Frans. Koeien vinden het een smakelijk voedergewas. Bovendien bevat het tannines. Dat zijn bio-actieve stoffen die ervoor zorgen dat de eiwitvertering van het gras in de pens van de koe efficiënter verloopt. Daardoor verbetert de eiwitvoorziening van het vee. Bovendien werken de tannines preventief tegen trommelzucht (gasophoping in de pens) en worm- en nematodebesmettingen, en verminderen ze de methaanuitstoot. Bijkomend voordeel is dat sainfoin een vlinderbloemige is, die stikstof uit de lucht opneemt, zodat de plant ook nog eens goed presteert op weinig bemeste grond.

Tot diep in de jaren 50 van de vorige eeuw was sainfoin een belangrijk voedergewas in onze regio. Uiteindelijk moest hij plaats maken voor gewassen met een hogere opbrengst, zoals alfalfa en klaver.

Zoals zo vaak het geval is hebben boeren echter te snel gemeend dat een hogere opbrengst ook economisch voordelen opleverde, maar in dit geval zaten ze er toch ietwat naast. Recent zijn de resultaten naar buiten gebracht een onderzoek van de WU Wageningen en daaruit bleek dat koeien, die bijgevoederd werden met sainfoin, een tien procent hogere melkopbrengst hadden en tien procent minder methaan uitstootten[1]. In een Griekse studie kon de uitscheiding van besmettelijke coccidiën (protozoa parasieten) in de mest bij schapenlammeren tot de helft worden teruggebracht bij het voederen van esparcettehooi in vergelijking met luzerne in de controlegroep[2].

Dat de wetenschappers de geschiedenis wat uit het oog zijn verloren blijkt uit het feit dat ze sainfoin vooral zien als 'alternatief voor de voedergewassen luzerne en klaver op melkveebedrijven op armere grond'. Hetgeen betekent dat dit een gevalletje is van histoire se repête ofwel 'de geschiedenis herhaalt zich'.

[1] Huyen: Sainfoin (Onobrychis viciifolia): a forgotten crop for dairy cows with future potential (thesis) - 2016. See here.
[2] Saratsis et al: In vivo and in vitro efficacy of sainfoin (Onobrychis viciifolia) against Eimeria spp in lambs in Veterinary Parasitology - 2012

Kazachstaanse paardenbloem

Nee, de Kazachstaanse paardenbloem (Taraxacum kok-saghyz) komt nog niet als exoot in de Nederlandse natuur voor, maar dat gemis zal binnenkort wel worden beëindigd. De Kazachstaanse paardenbloem kent namelijk een interessant trucje: hij kan rubber aanmaken in zijn wortels.

Rubber wordt nu nog commercieel gewonnen uit de bast van de rubberboom (Hevea brasiliensis), inheems in het Braziliaanse regenwoud, maar daar leidt hij wegens voortdurende schimmelinfecties een wat kwijnend bestaan. Intussen wordt de soort zo'n beetje over de hele aardbol aangeplant in tropische zones met meer dan een meter aan jaarlijkse regenval. Het duurt een tijd voordat een rubberboom melksap of latex gaat produceren en uit die latex wordt rubber gewonnen. De boom is nogal vatbaar voor allerhande plantenziekten en daarom moet er veel gif gespoten worden. Het werk op een rubberplantage is dus zwaar, warm en niet geheel van gezondheidsrisico's ontbloot. Door de toegenomen vraag de prijs van rubber de laatste jaren ook nog eens verdubbeld.
Daarom kijken onderzoekers ook met de nodige interesse naar de Kazachstaanse paardenbloem. Er zit een relatief hoog gehalte (tot 15 procent) latex (ofwel poly-isopreen) in de wortels verborgen. Het probleem is echter dat de Kazachstaanse paardenbloem niet gezegend is met een enorm wortelstelsel, waardoor de totale rubberopbrengst natuurlijk behoorlijk tegenvalt.

Geen probleem vinden Nederlandse onderzoekers, want ze kunnen die Kazachstaanse paardenbloem eenvoudig kruisen met onze vaderlandse wilde paardenbloem (Taraxacum officinale). Als wilde plant ligt de opbrengst van de Kazachstaanse paardenbloem op rond de 200 kilo rubber per hectare, veredeld als plant met dikkere wortels kan dat oplopen tot 500-700 kilo per hectare. Door de Kazachstaanse paardenbloem te kruisen met de Nederlandse ligt de opbrengst naar verwachting nog hoger: 1000 kilo per hectare. Uiteindelijk is een fabriek nodig om de rubberproductie van het latex in de plant uit te voeren, maar het zal nog wel een tiental jaren duren voordat ze dát stadium bereikt hebben.

De onderzoekers dromen evenwel al over suikerfabrieken, die alleen tijdens de suikercampagne in het najaar in vol bedrijf zijn. Die ruimte in de planning van zo'n fabriek kan later mooi gebruikt worden voor de productie van rubber.

Ondertussen onderzoeken studenten van de Wageningen UR, samen met KeyGene, ook een andere stof in de wortel: inuline. Deze stof (het inulinegehalte in de wortel is ongeveer 30 procent) kan gebruikt worden als bouwsteen voor biologisch afbreekbare plastics.

Het zal dus in de afzienbare toekomst mogelijk zijn dat de helgele velden vol paardenbloemen niet meer gezien wordt als een weiland vol onkruid, maar als een voorbeeld van een duurzame landbouwmethode. Vervolgens zullen de eerste hybrides ontsnappen en is onze natuur weer een exoot rijker.

[Update 19 juni 2016] Landbouwuniversiteit Wageningen ziet kansen en mogelijkheden. Zie hier. De productie vindt nu nog op bescheiden schaal plaats. Op proefvelden in Zeeland en België is ongeveer twee hectare ingezaaid. Dit moeten er na de volgende oogst zes worden.

Tropische kieuwworm

De tropische kieuwworm (Branchiodrilus hortensis) werd in 1910 voor het eerst ontdekt tussen de vegetatie van een kleine kunstmatige vijver in de Lawrence Gardens in Lahore, Pakistan (toen Brits-Indië). In de wereld zijn inmiddels drie vertegenwoordigers van het genus Branchiodrilus bekend: Branchiodrilus semperi uit India, Branchiodrilus cleistochaeta uit Afrika en Branchiodrilus hortensis uit Zuid-Azië, Australië en Afrika. De tropische kieuwworm komt in Azië ook voor in Japan op het eiland Hokkaido, in het Chanka meer en de benedenlopen van de Amur in zuidoostelijk Rusland. De tropische kieuwworm is vooralsnog de enige variant die een Nederlandse soortnaam heeft gekregen.
De tropische kieuwworm is eenvoudig te herkennen aan de aanwezigheid van paren van lange kieuwdraden over vrijwel het gehele lichaam, die aan het begin het langst zijn en kleiner worden richting het achterlijf. Vanaf segment zes is vrijwel op elk segment aan beide zijden van het lichaam een kieuwpaar aanwezig. De eerste kieuwdraden zijn ongeveer drie keer zo lang dan het segment breed is. De voorste, en tevens langste kieuwen worden tot zo’n 1,5 millimeter mm lang. In de kieuwen bevinden zich bloedvaten en spelen een rol bij de ademhaling. De wormen zijn gewoonlijk zo’n 2 centimeter lang. De soort kan echter 5 centimeter of meer lang worden in zijn natuurlijke habitat. Een ander opvallend kenmerk is de bandvormige zwarte pigmentering van het voorlijf. Door deze afwijkende bouw ten opzichte van alle andere bekende borstelwormen is deze soort zelfs met het blote oog herkenbaar.

De eerste exemplaren van de tropische kieuwworm werden verzameld in 2002 in de Giessen bij Giessenburg. Twee andere vindplaatsen bevinden zich ook in het stroomgebied van de Giessen. In 2004 is de soort al aangetroffen in de Aa bij den Bosch.

Het is onduidelijk hoe de tropische kieuwworm in Nederland terechtgekomen is. Aan de Giessen liggen veel tuinen en mogelijk kan deze soort met het uitzetten van exotische waterplanten in het water beland zijn. In de Giessen en directe omgeving worden regelmatig exotische waterplanten als de moerashyacinth (Pontederia cordata), watersla (Pistia stratiotes) en waterhyacinth (Eichornia crassipes) aangetroffen. Met uitzondering van het Afrikaanse snoekkruid (Pontederia cordata) komen deze waterplanten echter vooral uit Amerika. Verder kunnen bijvoorbeeld recreanten, aquariumhouders, winkeliers en schepen (met name ballastwater) een rol bij de verspreiding hebben gespeeld.

De tropische kieuwworm is natuurlijk niet op eigen kracht naar ons land gezwommen en dus moet hij behoorlijke hulp gehad hebben van de mens. Kennelijk is de handel in 'ongeschoonde' waterplanten een belangrijke oorzaak van de verspreiding van deze exoot. Dat die waterplanten vervolgens klakkeloos en gedachteloos in het oppervlaktewater worden gegooid is al helemaal onnozel te noemen.

Vijg

Sommige exoten hebben zo hun voordelen en als de nadelen niet al te groot zijn dan wensen we hen soms zelfs een warm welkom toe. Een voorbeeld daarvan is de vijg (Ficus carica). Het is een belangrijk voedingsgewas in zijn oorspronkelijke inheemse gebieden in het Midden-Oosten en westelijk Azië. Sinds onheugelijke tijd is de vijgenboom gecultiveerd en zijn populariteit heeft de boom over de hele wereld doen verspreiden.

De vijgenboom eindigt als behoorlijk grote struik of tot een boom met een maximale hoogte van een meter of tien. Diens geurige grote bladeren zijn uiteraard bekend als het vijgenblad waarmee Adam en Eva hun edele delen probeerden te bedekken. Waarvoor dat was is mij nooit duidelijk geworden want voor wie deden ze dat? Als je het eerste menselijk koppel op aarde bent is schaamte wel het laatste waar je aan denkt.
In wilde toestand produceert de vijgenboom driemaal per jaar bloemen en vruchten. Aan de buitenzijde lijkt de bloem nog het meest op een onrijpe groene vrucht. Zij is gevormd uit de tot een harde schil peervormig uitgegroeide bloembodem. Aan de binnenzijde bevinden zich in een holle ruimte de werkelijke bloemetjes; de vrouwelijke onderin, de mannelijke boven bij de zeer kleine opening. De bevruchting van de vijg vindt plaats door de vijgenwesp, een kleine galwesp (Blastophaga psenes) die samen met de vijgenboom is geëvolueerd, en door de opening naar binnen kan dringen. Na bevruchting ontwikkelen de vrouwelijke bloemen hun zaden. De vijg gaat rijpen, verandert van kleur en geur en wordt zacht, ook de schil. Het vruchtvlees is groen of rood, smaakt aangenaam zoet en zit barstensvol kleine zaadjes.

Die vijgenwesp komt hier echter niet voor en dat betekent dat de vijgenboom hier niet bevrucht wordt en dus ook geen vrucht zal dragen. Daar heeft de wetenschap echter iets op gevonden: Om ook in ons gematigde klimaat eetbare vruchten te krijgen zijn er zogenaamde parthenocarpe cultivars ontwikkeld. Dit wil zeggen dat de planten vruchten ontwikkelen, zonder dat er een bevruchting aan te pas komt. Een bijkomend voordeel van deze maagdelijke vruchtzetting is dat deze variëteiten vrij zijn van pitten.
Vijgen hebben nog steeds geen vaste plaats in onze nationale eetcultuur gekregen en dat is jammer want vijgen zijn gezond en superlekker. Die vijgen worden voornamelijk rauw of gekonfijt (geconserveerd in suiker) gegeten. Ook kunnen ze tot jam verwerkt worden. Vijgen hebben een ietwat laxerende werking.

In onze natuur wordt de vijg in toenemende mate verwilderd aangetroffen. Omdat ze dan uit pitjes zijn opgeschoten betekent het dat we nooit kunnen genieten van die heerlijke vijgen. Zonder vijgenwesp krijg je immers geen vijgen en vijgen die zonder vijgenwesp vijgen opleveren hebben geen pitten. Dus die mogelijke voordelen blijken dus een stuk kleiner te zijn dan gehoopt.

Kassprinkhaan

De kassprinkhaan (Diestrammena asynamora) komt van oorsprong uit China, waar de dieren in grotten leven. Het zal je niet verbazen dat ze zijn door gesleep met plantenmateriaal over de hele wereld verspreid zijn geraakt. Soms overleven tijdelijk ze in kunstmatige grotmilieus als kassen en kruipruimtes van gebouwen.

De kassprinkhaan is een behoorlijk groot insect van zo’n twee centimeter, waarbij de lange poten en sprieten zelfs niet eens zijn meegerekend. De dieren zijn helemaal aangepast aan het leven in grotten. Ze zijn vleugelloos en hebben lange sprieten aan de kop en aan het achterlijf (cerci genoemd), waarmee ze al tastend hun weg in het donker vinden.
Verspreiding in Nederland In de loop der jaren is de kassprinkhaan op behoorlijk veel plaatsen aangetroffen in ons land. Meestal gaat het om een enkel exemplaar, maar soms handhaaft zich tijdelijk een populatie, zoals in een kamerplantenbedrijf in ’s Gravenmoer (1973-1980), een woonwijk in Hoogeveen (eind jaren 1980) en een woonwijk in Tilburg (2005-2009). Het valt op dat er sinds de jaren 1920 tot aan 2014 veel losse waarnemingen uit Leeuwarden en omgeving afkomstig zijn. Toch was de ontdekking van een grote populatie in een verzorgingshuis in Noord-Bergum (ofwel Noardburgum) te Friesland een verrassing.

Bewoners klaagden al een tijdje over het feit dat ze soms enorme 'springspinnen' op de gang aantroffen. Pas in 2012 kreeg een in insecten geïnteresseerde medewerker een dood exemplaar onder ogen en toen was de conclusie snel getrokken: een kassprinkhaan.

Het zorgcentrum is een groot complex met zo’n 25 geschakelde gebouwen, die grotendeels voorzien zijn van een kruipruimte. Op vele plaatsen is de kassprinkhaan inmiddels aangetroffen, waarbij het soms gaat om tientallen dieren per kruipruimte. De totale populatie is naar schatting enkele duizenden exemplaren groot. Navraag bij het oudere personeel leerde dat de kassprinkhaan daar al minstens 40 jaar voorkomt. Het betreft waarschijnlijk de grootste populatie van de kassprinkhaan in Europa.

Door hun grootte en onverwachte gedrag kunnen ze mensen soms schrik aanjagen en de dieren gaan ’s nachts ook wel op zoek naar eten en kunnen dan aan kamerplanten knagen. Het personeel en de bewoners van het verzorgingscomplex in Noardburgum hebben de kassprinkhaan in hun hart gesloten. Daarbij heeft de aandacht van buiten zeker geholpen. Eind 2014 was er een filmploeg van Vroege Vogels over de vloer om het verhaal vast te leggen en begin 2015 vond zelfs een excursie plaats voor een tiental sprinkhaankenners. De toekomst van de populatie is overigens onzeker omdat er plannen zijn om het zorgcomplex grondig te restaureren.

De kassprinkhaan is in principe een onschadelijke exoot, maar ze horen hier natuurlijk niet thuis.

Dadelpalm

Je gelooft het misschien niet, maar zelfs de dadelpalm (Phoenix dactylifera) wordt soms in ons land verwilderd aangetroffen. Weliswaar treffen we hem vrijwel altijd aan in het centrum van oudere binnensteden waar de temperatuur wat hoger blijft dan in de winderige buitenwijken of de vrije natuur. De dicht opeen gebouwde huizen weerkaatsen ook het zonlicht en de gebrekkig isolatie van de woningen helpt ook om de temperaturen iets dragelijker te maken voor de dadelpalm. Uiteraard groeien deze dadelpalmen zelfs daar niet uit tot grote dadelsdragende palmbomen, maar overleven doen ze wel.

In wat meer warmere omstandigheden kan een dadelpalm tot 20 meter hoog worden met tot zes meter lange bladeren. Het duurt 4 tot 8 jaar voordat de dadelpalm voor het eerst vruchten zal produceren, maar als ze daarmee beginnen kunnen ze per oogst wel 150 kilo aan dadels opleveren.
[Dadelpalm - Niet in Nederland gefotografeerd]
Dadels vormen in grote delen van het Midden-Oosten een belangrijk onderdeel van de dagelijkse voeding. Men denkt zelfs dat dadels al rond 7000 vChr voor het eerst werden gecultiveerd in wat nu westelijk Pakistan is. De oude Egyptenaren gebruikten de vruchten voor het maken van wijn.

De naam 'dadel' – net als zijn Engelse vorm date – is een verbastering van de wetenschappelijke soortnaam. Dactylifera is namelijk afgeleid van het Griekse woord daktulos, wat 'vinger' betekent en de langwerpige vorm van het fruit beschrijft.

Eigenlijk is het vreemd dat men in Noordwest-Europa geen liefhebber is geworden van de zoete dadels. Zou juist die zoetheid ons meer doen verlangen naar de Mediterrane zon? Houden wij juist van zure en bittere fruitsoorten omdat daar wellicht de zo noodzakelijke vitamines en mineralen in zouden zitten? Een onbewuste hang naar 'bitter in de mond, maakt het hart gezond'?

Ik geloof daar niets van. Ik denk dat het gewoon te maken heeft dat dadels in het verleden niet lang genoeg 'goed' bleven en daardoor niet in de groente-afdeling van de supermarkt terecht kwamen. We gaan steeds meer op vakantie naar exotische landen, gaan steeds meer houden van exotische gerechten en dus is de dadel ook aan een voorzichtige opmars in ons land bezig.

En juist dat is de reden dat we hem in toenemende mate in het wild zullen aantreffen. Het is immers een heerlijke en gezonde snack die eenvoudig vele ongezonde tussendoortjes kan vervangen. Maar een dadel heeft een pit en die pit spuug je uit of gooi je weg. De natuur weet wel raad met zo'n buitenkansje. Nu moet de global warming nog een beetje doorzetten en we kunnen ons wanen aan de kusten van de Middellandse Zee.

Grote kroosvaren

Kroosvaren (Azolla filiculoides) is inheems in warme tot tropische regionen op het Amerikaanse continent. Bovendien komt het van origine voor in grote delen van Azië en Australië. Lees het voorgaande even opnieuw door en je zult opmerken dat Nederland niet voorkomt in de normale leefgebieden van deze waterige varensoort.

Inderdaad wordt het kroosvaren gezien als een watergebonden varensoort. Het staat bekend om zijn supersnelle groei en het is in staat om wateroppervlaktes binnen enkele maanden volledig te overwoekeren. Iedere individuele plant is slecht één tot twee centimeter in doorsnede, is groen tot rozepaars van kleur. Tijdens de onbelemmerde groei breken voortdurend stukjes van de plant af, drijven weg en zullen elders een nieuwe poging wagen de sloot, gracht of plas te bedekken.
Ooit, lang geleden was het grote kroosvaren inheems in Nederland. Tijdens het Pleistoceen (circa 3 miljoen jaar geleden tot circa 11,700 jaar geleden) was deze waterplant een bekende verschijning in ons land. De ijstijd maakte een eind aan diens voorkomen. Aha, zo zullen sommige lezers opmerken, dat grote kroosvaren kan onze strenge winters dus niet overleven en dus is er geen enkel probleem. Niet waar, zullen anderen opmerken, want de vaderlandse winters zijn niet meer zo streng als vroeger en bovendien is de natuur veel te vaak in staat om onze hoop en verwachtingen te doorkruisen. Zo ook bij het groot kroosvaren. Weliswaar is deze vlotvarensoort niet echt een liefhebber van koude klimaten en zal het in wat mildere klimaten afsterven, maar toch zal het weten te overleven door knoppen die onder water in een soort winterslaap gaan en opnieuw tot leven komen als de temperaturen wat dragelijker worden.

Het concurreert succesvol met andere waterplanten doordat het uiteindelijk het zonlicht wegvangt voor alles wat leeft. Daardoor sterft de vegetatie daaronder af, waardoor een rottende massa zal ontstaan. Vervolgens ontstaat zuurstofgebrek en de volgende slachtoffers zijn de vissen en andere in het water levende organismen.

De mens heeft het grote kroosvaren onnadenkend in Europa ingevoerd. De soort werd al in 1880 in Europa geïntroduceerd bij de Franse plaats Bordeaux. Nog steeds zijn de waterwegen in Zuidwest-Europa de plekken waar het grote kroosvaren het meest wordt aangetroffen, maar zijn opmars is nauwelijks tegen te houden. In ons land is het inmiddels een vervelende lastpak geworden. Men denkt dat er verschillende methodes zijn geweest die hebben meegeholpen met de introductie van de soort: watervogels kunnen zaadjes tijdens hun trektocht hebben meegevoerd aan hun poten of in hun veren, onbehandeld water in ballasttanks van zeeschepen en, jawel, aquariumhouders hebben zeker overtollige planten in het oppervlaktewater gekieperd.

Roestgans (of Casarca)

De roestgans (Tadorna ferruginea) wordt ook wel casarca genoemd. Het is een grote, oranjebruine, gansachtige eend die net als de nijlgans verwant is aan de bergeend. De vogel heeft een lengte van 58 tot 70 cm en een vleugelspanwijdte van 110 tot 135 cm. Daarmee is deze gansachtige eend (of eendachtige gans) iets groter dan een eend, maar kleiner dan de meeste ganzensoorten. De roestgans lijkt qua postuur veel op de in Nederland algemeen voorkomende bergeend, die in werkelijkheid geen eend maar ook een halfgans is. Het verenkleed van zowel het mannetje als het vrouwtje is helder oranjebruin. De kop van het vrouwtje is iets lichter, neigend naar kaneelkleurig. Het mannetje heeft in de zomer bovendien een zwarte halsring. De snavel is zwart en de poten zijn zwartachtig. De ogen zijn donkerbruin.

De roestgans broedt van origine in een gebied dat zich uitstrekt van Zuidoost-Europa tot in China, alsmede in het noordwesten van Afrika. Ze broeden hier in open landschappen, rond steppenmeren, in moerassen en rivierdalen maar ook in kloven en in hooggebergten. De voor Nederland dichtstbijzijnde broedgebieden liggen in Roemenië, Bulgarije, Oekraïne, Rusland en vooral Turkije.
Uiteraard volgde ook deze exoot weer de bekende route: door zijn aantrekkelijke verschijning wilden rijke grondbezitters of dierentuinen de soort graag in hun collectie hebben. De inheemse soorten werden immers maar saai gevonden en met iets aparts kon je lekker je buurman jaloers maken. Maar de vrijheid lonkt altijd voor iedere diersoort en ook de roestgans wist aan de aandacht van de 'eigenaren' te ontsnappen. Daarom zijn roestganzen in diverse landen in Europa opgedoken.

In Nederland werd het eerste broedgeval al in 1969 gemeld, maar daarna heeft de broedpopulatie zich niet echt uitgebreid. Toch neemt het aantal waarnemingen de laatste jaren sterk toe. Broeden ze elders en komen ze hier op vakantie?

In de zomer en nazomer duiken grote groepen roestganzen op in Nederland om de vleugelrui door te maken en die aantallen nemen nog ieder jaar toe. In deze periode verliezen de roestganzen, net als andere eenden en ganzen, enkele weken hun vliegvermogen. Ze vliegen daaraan voorafgaand grote afstanden om veilige ruiplaatsen te vinden. Het belangrijkste gebied is de Natte Hond in het Eemmeer bij Blaricum (Noord-Holland), waar in 2015 circa 750 exemplaren verbleven. Ook op andere locaties, zoals het Lauwersmeergebied, werden in 2015 in deze periode ruiers vastgesteld, wat op een landelijk totaal van circa 1200 vogels uitkwam. Die ruiplekken worden gekenmerkt door ondiep water, rust en voedselrijkdom in de vorm van waterplanten.

Roodkeelnachtegaal

Ieder jaar organiseert de Stichting Vogelonderzoek Nederland (Sovon) een tuinvogeltelling. Iedereen kan dus vanuit zijn luie stoel kijken welke vogels zijn of haar tuin bevolken en de gegevens doorsturen naar Sovon. In 2016 deden bijna 50,000 mensen mee en die telden samen meer dan 750,000 vogels. Natuurlijk wordt de top van de lijst bevolkt door de bekende vogelsoorten als de huismus, koolmees en merel. Ook zijn er een aantal exotische soorten die aan een welhaast onstuitbare opkomst bezig zijn en een mooi voorbeeld is de halsbandparkiet. Er werden 5.869 exemplaren geteld, bijna duizend meer dan tijdens de vorige telling. Het getelde aantal laat zien dat halsbandparkieten tegenwoordig 's winters in grote aantallen in tuinen in de Randstad en net daarbuiten voorkomen en zich als een olievlek uitbreiden.

Maar ieder jaar zit er wel een leuke verrassing tussen de waargenomen soorten en dit jaar was het de roodkeelnachtegaal (Calliope calliope). Die waarneming in het Noord-Hallandse Hoogwoud zorgde uiteraard direct voor verkeersopstoppingen van vogelspotters en de supergrote telelenzen bevolkten tijdelijk het landschap in de hoop een glimp op te vangen van deze dwaalgast.
Het is een trekvogel die leeft in de bijna oneindige dennenwouden van Siberië en overwintert in landen met een stuk aangenamer klimaat, waaronder Thailand, India en Indonesië.

De roodkeelnachtegaal is een tot 16 centimeter lang zangvogeltje met een duidelijke witte wenkbrauwstreep plus daaronder een zwarte oogstreep die tot de snavel reikt. Het mannetje heeft een rode kin en keel (vandaar de soortnaam) met daar omheen een smalle zwarte omlijning en een witte mondstreep. Ze zijn verder van boven donker grijsbruin en van onder wat lichter grijsbruin. Een roodkeelnachtegaal voedt zich met insecten, vooral larven van kevers en in het wateren levende ongewervelden als vlokreeften.

Soms, heel soms verdwalen roodkeelnachtegalen en een waarneming in Nederland wordt als extreem zeldzaam gezien. We kunnen natuurlijk ook niet geheel uitsluiten dat het exemplaar dat in Hoofddorp werd ontdekt uit een volière is ontsnapt. Hoewel dit mogelijk verboden is zou het feit me niet echt verbazen, want iedere hobby heeft soms wel wat duistere leden.

De wetenschappelijke naam, Calliope calliope, vernoemt de Griekse muze Calliope, die ooit bekend stond om haar mooie stem. Ze was de muze van het heroïsch epos, de filosofie en de retoriek. Met andere woorden: de roodkeelnachtegaal kan een aardig deuntje fluiten.

Goudvis (of Giebel)

Toen ze nog een stuk jonger waren hebben veel mensen een goudvis als huisdier gehad. Een goudvis, die soms treurig zijn eindeloze rondjes zwom in een ronde vissenkom. Wel eens over nagedacht waar die goudvis ooit vandaan is gekomen? Nee? Welnu, de oorspronkelijke goudvis zwom ooit als Pruisische karper (Carassius gibelio), ook wel Giebel genoemd, door vele wateren vanaf Centraal Europa tot ver in Russisch Siberië. De Chinezen ontdekten dat met voldoende tijd, doorzettingsvermogen en geluk deze Pruisische karper leuke kleurschakeringen opleverde. Precies zoals nu parkieten om hun prachtige gemuteerde kleuren worden gekweekt, was men in het Verre Oosten al meer dan 1000 jaar geleden bezig om prachtig gekleurde vissen te 'ontwerpen'.

De goudvis wijkt intussen genetisch ze veel af van zijn wilde voorouder dat men gedwongen werd hem als een nieuwe soort te gaan beschouwen en hij kreeg de wetenschappelijke naam Carassius auratus.
De giebel groeit uit tot een lengte van ongeveer 35 centimeter en een gewicht van maximaal een kilo of drie. Ze zijn alleseters en voeden zich met plankton, ongewervelden, plantmateriaal en afvalstoffen. De kleur is zilverachtig met soms – en dat maakte hem zo speciaal voor de bijgelovige Chinezen – een vage goudkleurige zweem.

Steeds meer mensen reizen, steeds meer producten worden de halve wereld over gestuurd. Daardoor ontstaan ongemerkt ook nieuwe routes waarlangs diersoorten min of meer per ongeluk ook hun territorium kunnen vergroten. De giebel is wat men noemt een triploïde vis, wat betekent dat de eitjes, die onbevrucht blijven, toch kunnen uitgroeien tot wat een kloon is van de moedervis. Een vrouwtje legt meerdere keren per jaar bijna 300,000 eitjes. Daardoor wordt de druk op de ruimte en het voedsel steeds groter, waardoor inheemse soorten verdreven kunnen worden.

Het lijkt er op dat de giebel zich wereldwijd aan het opwerpen is als een vervelende immigrant. In China is hij al rond het jaar 1600 uit zijn kweekvijvers ontsnapt. In Noord-Amerika zien ze hem ook liever gaan als komen. Ook in West-Europa vangen sportvissers steeds vaker van die zilverkleurige exoten.

Wat natuurlijk ook niet echt helpt is dat ouders, nadat de eerste vreugde van een huisdier wat is verwaterd, de goudvissen van hun kinderen onnadenkend in de sloot werpen omdat het zo zielig is om ze in de groene container te werpen. Omdat giebels en goudvissen sterk verwant zijn, ontstaan er in de natuur bastaarden die soms beter zijn als de oorspronkelijke soorten.

Gelukkig is een Pruisische karper, giebel of goudvis goed te eten en dus passen die perfect in een pan.

Nijlgans

Nederland lijkt het beloofde land te zijn voor ganzen en dat klopt natuurlijk ook wel. De Waddenzee is een onmisbare schakel in de trekroutes van vele trekvogels en de ganzen lusten wel pap van het sappige gras op de weilanden. Mede daardoor vinden ook exotische ganzensoorten het hier zo gezellig dat ze maar besloten hebben om het hier hun nieuwe 'thuis' te gaan noemen. We hebben het op deze plek al eerder gehad over de Indische gans, de Canadese gans en de roodhalsgans. De keer blijven we wat dichter bij huis en bespreken de nijlgans (Alopochen aegyptiaca).

De lichaamslengte van de nijlgans bedraagt rond de 70 cm met een gemiddeld gewicht van 2,5 kilogram. Het meest vallen de felgele ogen op in een kastanjebruin masker, dat nogal afsteekt tegen de bleekbruine kop. Voor de rest is de nijlgans gehuld een lichtbruin gewaad met witte accenten.
[Foto: www.naturfotografie-radloff.de]

De nijlgans is, zoals de naam al wat aangeeft, inheems in grote delen van Afrika, behalve in woestijnen en te dichte bossen. Ze zijn voornamelijk te vinden aan de oevers van de Nijl en ten zuiden van de Sahara. En nee, ze kwamen niet van nature in Noordwest-Europa voor en dat betekent dat de mens hem een handje heeft geholpen. Zoals de andere exotische ganzensoorten is ook de nijlgans al rond 1800 in onze contreien geïntroduceerd door rijke Engelse grootgrondbezitters die hun uitgestrekte landerijen wilden 'aankleden'.

Dat ook de nijlgans – meer verwant met de bergeenden dan met de ganzen – zich hier uitstekend thuis voelde blijkt wel uit het feit dat ze al snel aan de aandacht van hun eigenaren wisten te ontsnappen, zich vrijelijk vermenigvuldigden en na verloop van tijd de oversteek naar Nederland hebben gemaakt. Het eerste beschreven broedgeval van de nijlgans in Nederland stamt uit 1967 in de regio Den Haag. Begin jaren 80 van de vorige eeuw is in de omgeving van Haren (Groningen) een tweede populatie in het vrije veld ontstaan. Daarna hebben beide populaties zich als een spreekwoordelijke olievlek uitgebreid en over het land verspreid. In 2012 leefden hier naar schatting 44,000 exemplaren en de teller is sindsdien zeker niet stil komen te staan.

Terugkijkend is het geen goed idee geweest om de nijlgans in Engeland te introduceren. Daar staat hij inmiddels bekend als een vervelende soort. Er is in ons land geen beeld van de exacte omvang van de schade door nijlganzen in landbouwgebieden. Omdat nijlganzen geen wettelijke bescherming genieten, wordt de gewasschade door deze soort niet geregistreerd en niet vergoed. Ambtelijk gedoe op de vierkante millimeter. Dus, agrariërs (m/v), maak jullie borsten maar nat.

Moerasanemoon

De moerasanemoon (Houttuynia cordata) is een vaste plant die van juni tot augustus met witte bloemen bloeit. Het is een bodembedekker die echter sterk kan woekeren met diens ondergrondse uitlopers. Zowel de witte worteluitlopers als de bladeren hebben een opvallende vissige geur die door vele tuinliefhebbers als onaangenaam wordt ervaren. De Nederlandse benaming van moerasanemoon wijst er op dat het een plant is die het ook zeer goed doet aan de vijverrand in een natte bodem en zelfs in ondiep water.

Naast de gewone groenbladige moerasanemoon zijn er ook nog cultivars met zeer mooie bladeren. Ongeacht welke cultivar je ook kiest zijn het jammerlijk genoeg allemaal sterke woekerplanten. Het zijn zeer mooi planten als je ze dan als bodembedekker kan aanplanten in een afgeboord perceeltje waar ze niet uit kunnen groeien.
Met wat variaties worden bovenstaande teksten op vele websites gebruikt om de moerasanemoon aan te prijzen, maar tegelijkertijd worden tuinliefhebbers gewaarschuwd voor diens vervelende woekerende eigenschappen.

De moerasanemoon groeit op vochtige beschaduwde plaatsen in diverse landen in Zuidoost-Azië en het ware het beste geweest dat de plant daar was gebleven, maar de commercie heeft het weer eens gewonnen. In Nederland is de moerasanemoon op vele plaatsen al een vervelende verwilderde plant aan het worden. Omdat niets en niemand hem tegen kan houden lijkt het er op dat we maar moeten leven met deze invasieve plant, maar er is hulp onderweg.

In diezelfde Zuidoost-Aziatische landen staat de moerasanemoon bekend als keukenkruid of bladgroente. Die vissige geur, die onze vaderlandse tuinliefhebbers zo tegenstaat, wordt door Chinezen, Vietnamezen, Thai, Koreanen en Indiërs juist gewaardeerd. Daar staat de moerasanemoon als veelal bekend als – laten we het maar vertalen als – viskruid.

Vooral in Vietnam wordt moerasanemoon toegepast als een kruidige garnering, zoiets als wij peterselie, basilicum of koriander zouden kunnen gebruiken. Natuurlijk past die vissige geur en smaak niet bij ieder gerecht, maar bij gebakken of gestoomde vis is het onmisbaar. In noordoostelijk India wordt het blad gebruikt in salades, meegekookt met andere bladgroenten of in de beroemde viscurry's verwerkt. In de zuidwestelijke Chinese provincies Yunnan, Guinhou en Sichuan staan juist de wortels van de moerasanemoon op het menu. Ook de bladeren worden daar gegeten.

In vele andere landen waar men last heeft van exotische planten, die de inheemse soorten verdrijven, heeft men plannen opgevat om de bevolking te leren dat sommige invasieve soorten eetbaar zijn. De strijdkreet luidt daarEat the invaders! De moerasanemoon lijkt mij een perfecte kandidaat om in ons land mee te beginnen. Nu nog de recepten.

Paarse trompetbekerplant

Doe eens een zoekslag met Google met 'paarse trompetbekerplant' en je zult uit de resultaten moeten opmerken dat het een vleesetende plant schijnt te zijn die geliefd is bij een speciaal soort plantenliefhebbers. Zaadjes en plantjes worden op diverse websites en in diverse tuincentra te koop aangeboden. Geen probleem, zo zul je opmerken, we gunnen iedereen toch zijn onschuldige hobby en een leuk vleesetend plantje in je vensterbank of tuin kan toch geen kwaad?

De paarse trompetbekerplant (Sarracenia purpurea) is inheems in grote delen van Noord-Amerika. Neem de kaart van dat continent eens voor je netvlies en kleur daar een stuk land in dat zo'n beetje de hele Atlantische oostkust van de Verenigde Staten, die grote meren in het midwesten tussen Amerika en Canada plus zuidoostelijk Canada omvat. Dáár groeit deze carnivore plant en het opvallende is dat het de enige soort van het geslacht is dat houdt van koele omstandigheden. De meeste vleesetende planten groeien namelijk in de tropen. Deze niet en dat maakt hem ook geschikt voor ons vaderlandse klimaat.
Voor de liefhebbers heeft de paarse trompetbekerplant heeft zonder enige twijfel een aantrekkelijk uiterlijk. Hij houdt, zoals de meeste vleestetende planten van vochtige omstandigheden. Die zijn in een warm tropisch oerwoud eenvoudig te vinden, maar hier in ons land moet je denken aan laagveen. Daar kan de paarse trompetbekerplant zich heel goed thuisvoelen en wacht hij geduldig tot een te nieuwsgierig insect zijn laatste foutje maakt.

De val van de paarse trompetbekerplant is gevuld met een mix van water en enzymen, waarin de prooi verdrinkt en verteerd wordt. Naar beneden gerichte haartjes in de beker zorgen er voor dat die prooi naar beneden gedwongen wordt en ze zorgen dat een vluchtpoging tot mislukken gedoemd is.

De paarse trompetbekerplant maakt gebruik van andere organismen om zijn voedsel te verteren. Men noemt zoiets 'symbiose', een samenwerking van verschillende soorten beestjes zoals muggenlarven, vliegjes, protozoën en bacteriën, die allemaal voordeel hebben van die samenwerking. Samen vormen ze een unieke habitat. De grotere diertjes nemen de gevangen prooi liefdevol tot zich, doen zich er te goed aan en de kleine organismen, zoals de bacteriën, krijgen de resterende delen. De voedingsstoffen die overblijven worden door de plant opgenomen.

In Nederland lijkt de paarse trompetbekerplant zich steeds verder te verspreiden in de vrije natuur. Vooral bij Amsterdam (daar wonen veel mensen met een interessante hobby) en het noordoosten van het land (daar zit veel laagveen).

Kip

De kip (Gallus gallus domesticus), zoals wij hem tegenwoordig kennen, is een ondersoort van het rode kamhoen (Gallus gallus) met een beetje van de genen van het grijze kamhoen (Gallus sonneratii). De voorloper van de kip werd al meer dan 5,000 jaar geleden in Azië getemd en vervolgens over de hele wereld verspreid door volksverhuizingen en ontdekkingsreizen.

De oerkip was en is inheems in een grote strook land dat loopt vanaf noordelijk India, via zuidelijk China, tot Maleisië, Indonesië en de Filippijnen. Daar leeft het rode kamhoen nog steeds.

Hoewel wij onze kippen tegenwoordig voornamelijk voeren met granen, zaden en pitten is de kip eigenlijk een alleseter. Laat hem verwilderen en ze zullen vaak de grond omwoelen op zoek naar insecten. Zelfs hagedissen, kleine slangen en jonge muizen staan op het menu van een kip als je hem zijn gang laat gaan.
Afhankelijk van het het ras kunnen kippen wel meer dan tien jaar oud worden. Daar beginnen al direct de problemen, want veel mensen nemen een kippenren met een paar kippen 'omdat het zo gezellig is'. Een aantal jaren en vele zakken kippenvoer later wordt het voor enkelen ietwat minder leuk omdat je toch iemand moet regelen die je pluimvee verzorgt als je op vakantie wilt gaan. Ook kunnen buren gaan klagen omdat je kippen 's ochtends wel erg veel lawaai maken en op een warme zomeravond kunnen die buren plotseling aanbellen met de opmerking dat hun gezellige barbecue bedorven wordt door allerlei kwalijke luchtjes die vanuit het kippenhok opstijgen.

Dus sta je op een gegeven ogenblik voor een moeilijke beslissing: wat doen we met die kippen. Ze zijn vermoedelijk al te oud (lees: taai) voor in de pan en even de nek omdraaien lijkt bij nader inzien ook al geen goed idee. Uiteindelijk lijkt het een uitstekend plan om die kippen hun vrijheid terug te geven en ze los te laten in de 'vrije natuur'.

Jawel, kippen doen het uitstekend in onze natuur, planten zich onbekommerd voort en na verloop van tijd zijn er zoveel dat de boswachter eens achter zijn oren gaat krabben. Want nu heeft hij een probleem en problemen zijn er voor om opgelost te worden. Hij kan eens met een bevriende jager gaan praten en die besluit dat, omdat de feestdagen aanstaande zijn, dat hij binnenkort maar eens daadkrachtig gaat optreden.

En zo gaat het al jaren. Ook vele binnensteden, industrieterreinen en natuurgebieden herbergen grote aantallen kippen. Bij overlast moet er worden opgetreden en er is altijd wel een bereidwillige 'bevriende jager' te vinden. Leuk hè? Die echte free range kippen.

Paprikamozaïekvirus

In wetenschappelijke kringen staat het paprikamozaïekvirus bekend als Pepper Mild Mottle Virus (PMMoV). Dit virus komt wereldwijd voor in paprika's en chilipepers. De ziekteverschijnselen van een besmetting met dit virus zijn, onder andere, afhankelijk van de leeftijd van de plant, het tijdstip van infectie en de omgevingstemperatuur. Het paprikamozaïekvirus geeft op jonge bladeren een vaag mozaïekbeeld van donker- en lichtgroene vlekken, maar soms is er slechts een vergeling van de bladeren zichtbaar en lijkt de plant in zijn groei belemmerd. Ook op vruchten kunnen virussymptomen ontstaan. Ze vertonen al dan niet ingezonken vlekjes. Ook kunnen de vruchten een wat gebobbeld uiterlijk hebben.
Als een plant eenmaal besmet is kan deze niet behandeld worden. Zaadleveranciers proberen voortdurend een betere resistentie in te bouwen zodat het virus geen kans van slagen heeft. Vergelijk het met vaccinatie tegen het griepvirus.

Hoewel de symptomen nagenoeg kunnen verdwijnen, betekent het niet dat de plant het virus overwonnen heeft en kunnen de symptomen het volgende seizoen weer terugkomen. Het virus blijkt ontzettend besmettelijk en wordt door zaad, landbouwwerktuigen of agrariërs overgebracht. Men gelooft dat de internationale zaadhandel de oorzaak is van de wereldwijde verspreiding van het virus.
Men vermoedt dat de oorsprong van het paprikamozaïekvirus gezocht moet worden bij een direct familielid, het tomatenmozaïekvirus (Tomato mosaic virus of ToMV). Beiden horen thuis in de Tobacco mosaic virusfamilie. Het tomatenmozaïekvirus heeft het gemunt op een groot aantal planten van de nachtschaden (Solanacaea), waartoe ook aardappels en aubergines behoren en men neemt nu aan dat het Paprikamozaïekvirus een vrij recente mutatie is van het tomatenmozaïekvirus. Omdat het een recente mutatie is heeft het virus zich nog niet (genoeg) aangepast aan andere aan paprika en chilipepers verwante soorten, zoals tomaten, aardappels en aubergines. Maar het virus is nog jong, muteert ongezien door en wat niet is kan nog komen.

Maar wacht, wat las ik nu in een recent wetenschappelijk onderzoek? Het paprikamozaïekvirus heeft allang een nieuwe gastheer gevonden. Nee, geen broertje of zusje van de paprika of chilipeper, maar iets dat veel verontrustender is. Het virus blijkt het allereerste plantenvirus te zijn dat ook mensen kan besmetten[1]. Dat levert je koorts, maag- en darmproblemen en jeuk op. Nog vervelender is de ontdekking dat het virus in alle onderzochte flessen van een scherpe saus uit China is aangetroffen[2].

[1] Colson et al: Pepper Mild Mottle Virus, a Plant Virus Associated with Specific Immune Responses, Fever, Abdominal Pains, and Pruritus in Humans in PLoS One – 2010. Zie hier.
[2] Peng et al: Detection of pepper mild mottle virus in pepper sauce in China in Archives of Virology - 2015

Harig spookkreeftje

Het harig spookkreeftje (Caprella mutica) staat in Engelstalige landen bekend als Japanese skeleton shrimp. Beide namen zijn goed gekozen omdat deze vlokreeftensoort gekarakteriseerd wordt door een heel slank lichaam en lange 'appendages'. Ze staan hun levenlang rechtop en geven dus een spookachtige impressie. De mannetjes kunnen een lengte bereiken van zo'n 5 centimeter. De vrouwtjes zijn twee centimeter kleiner.

Deze vlokreeftjes zijn opportunistische alleseters maar doen zich het liefst te goed aan mosselbroed. Op zich geen probleem als een enkel harig spookkreeftje zich op een mosselbank ophoudt, maar zo werkt het in de natuur natuurlijk niet. Zonder natuurlijke vijanden kunnen er wel 300,000 exemplaren op de vierkante meter leven. Dát is andere koek.
Toen men in 1976 eens ging kijken waar die kreeftjes leefden kon vastgesteld worden dat ze zich in kustwateren van de hele Japanse Zee ophielden. Nu, zo'n veertig jaar later, is de soort over de hele wereld verspreid aangetroffen. Ze worden als een invasieve soort beschouwd in Noord-Amerika en Nieuw-Zeeland.

Harige spookkreeftjes zijn inheems in beschutte wateren in de Zee van Japan (al menen zowel Noord- als Zuid-Korea dat die naam een belediging voor hun land is en stellen al jaren vruchteloos voor om die zee respectievelijk East Sea of Korea of East Sea te noemen). Op eigen kracht verspreiden de harige spookkreeftjes zich nauwelijks en daarom hebben de onbewuste hulp van de mens nodig gehad om zich over de aardkloot te verspreiden. De belangrijkste oorzaak is het onbehandelde ballastwater van zeeschepen dat in de haven wordt geloosd. Andere routes zijn bijvoorbeeld de import van Japanse oesters (Crassostrea gigas).

Ondertussen zijn harige spookkreeftjes ook in ons land aangetroffen. De soort is wijdverspreid in het Waddengebied, de Deltawerken en wordt ook al in gebieden voor de kust waargenomen, Competitie van dit kreeftje met de inheemse familieleden en met name het inheemse wandelend geraamte (Caprella linearis) is aangetoond.

De vlokreeftjes komen voor op kunstmatige ondergronden (kabels, netten, boeien, enz.) en vergelijkbare patronen bij andere probleemsoorten suggereren dat een overstap naar natuurlijke harde substraten, zoals mosselbanken, zeker niet ondenkbaar is. De vlokreeftjes verspreiden zich onopgemerkt doordat ze zich soms vasthechten aan algenmateriaal en die willen nog wel eens wegdrijven onder invloed van stromingen.

Het zijn natuurlijk maar kleine opdondertjes, maar toch leveren de harige spookkreeftjes wel degelijk gevaar op. Denk alleen maar aan de potentiële ziekteverwekkers die ze met zich mee kunnen dragen. Doordat het consumeren van zeewier tegenwoordig een vlucht lijkt te nemen, kunnen mensen ongemerkt ook deze vlokreeftjes opeten. Dat kan vervelende allergische reacties opleveren[1].

De Nederlandse regering heeft het ondertussen al opgegeven en meldt dat bestrijding van de harige spookkreeftjes ondoenlijk is.

[1] Motoyama et al: Allergenicity and allergens of amphipods found in nori (dried leaves) in Food Additives and Contaminants - 2007

Oranje springzaad

Oranje springzaad (Impatiens capensis) is een eenjarige kruidachtige plant uit de balsemienfamilie (Balsaminaceae), waaraan we al eerder wat mopperende stukjes hebben gewijd. Na het ruig springzaad (Impatiens cristata) en de reuzenbalsemien (Impatiens glandulifera) is het nu de beurt aan oranje springzaad, een zeer aantrekkelijke verschijning die in zijn thuisland wordt gewaardeerd om zijn mooie oranje bloemen. De plant is afkomstig uit Noord-Amerika en dat maakt de soortaanduiding capensis, dat 'van de Kaap (de Goede Hoop)', de zuidelijkste punt van Afrika, betekent, een vreemde zaak.

Het was een vergissing van de in Leiden geboren tuinier, botanicus en botanisch illustrator Nicolaas Meerburgh (1734-1814) die geloofde dat het specimen dat hij onder ogen kreeg uit Zuid-Afrika stemde.
Het oranje springzaad werd gedurende de 19de en 20ste eeuw in Europa ingevoerd vanwege de zeer aantrekkelijke bloemen. Ondertussen komt het oranje springzaad verwilderd voor in Groot-Brittannië, België, Frankrijk en Nederland langs rivieren en kanalen. Ook in haar oorspronkelijke verspreidingsgebied groeit ze langs kreken, op vochtige plaatsen, vaak samen met haar wat minder vaak voorkomende soortgenoot geel springzaad (Impatiens pallida). Voor het geval u het wilt weten: het geel springzaad heeft inderdaad gele bloemen.

De bloeiperiode loopt van juni tot en met september. De zaden worden met kracht weggeschoten, waardoor onder de juiste omstandigheden behoorlijk dikke bosschages kunnen ontstaan en onder die plantenmassa groeit verder weinig meer. Om de concurrentie met andere planten succesvol aan te gaan groeit de stengel in het voorjaar snel omhoog. Deze exotische soort is dus in staat om inheemse planten met gemak te verdringen.

Om zich over grotere afstanden te kunnen verspreiden is het oranje springzaad afhankelijk van stromend water en de mens. Die zaden blijven aan zolen van schoenen en banden van voertuigen plakken.

De Indianen gebruikten het uitgeperste sap van de stengel van het oranje springzaad om de jeuk te bestrijden die ontstond als gevolg van aanraken van brandnetels of gifsumak en van insektenbeten. De immer sceptische wetenschap heeft die plant maar eens onderzocht in de hoop die onnozele Indianen hartelijk te kunnen uitlachen, maar dat viel behoorlijk tegen. Uit onderzoek bleek dat het sap van het oranje springzaad perfect werkte tegen de huiduitslag (contactdermatitis) van de gifsumak[1].

We moeten de conclusie trekken dat het oranje springzaad toch een ongewenste soort is binnen een geslacht waarvan in ons land al een aantal inheemse soorten aanwezig waren.

[1] Motz et al: Efficacy of the saponin component of Impatiens capensis Meerb.in preventing urushiol-induced contact dermatitis in Journal of Ethnopharmacology - 2015

Stinkdier

Het (gestreept) stinkdier (Mephitis mephitis) komt van oorsprong voor in grote delen van Noord-Amerika, behalve in woestijnen. Hij dankt zijn naam aan diens verdedigingsmechanisme dat bij gevaar in werking kan treden: met de anale geurklieren wordt bij dreiging een stinkende stof gesproeid.

In ons land werd (en wordt) het stinkdier soms als exotisch huisdier gehouden. Niet zo'n geweldig idee, zo zult u opmerken met die sproeiende anaalklieren. Liefhebbers laten zich echter daardoor niet ontmoedigen en schaffen zo'n dier aan nadat de anaalklieren operatief zijn verwijderd. Ik kan me niet voorstellen dat een Nederlandse dierenarts zich daartoe zal verlagen en dus moet die ingreep al in Amerika door gewetenloze vakbroeders zijn verricht.
Sinds begin jaren ‘70 van de vorige eeuw worden geen wilde stinkdieren meer gevangen voor de fok of voor de huisdierindustrie. Dit wordt streng gecontroleerd door de Canadese en Amerikaanse overheden. In 2010 en 2011 werden jaarlijks 500 tamme stinkdieren vanuit de VS naar Nederland geëxporteerd. De grootste Nederlandse importeur heeft sinds 2012 geen stinkdieren meer ingekocht en er zijn sindsdien geen legale importen meer geweest. Dat klopt, maar er zal vast wel een ongereguleerde illegale import bestaan.

Natuurlijk vergeet iedereen bij aanschaf van een stinkdier dat het een dier is dat volstrekt ongeschikt is om als huisdier te houden. Het gevolg is dat men die lastpakken per ongeluk liet ontsnappen als de schade aan bankstellen iets te groot werd. Vrijgelaten of ontsnapte dieren kunnen zich lokaal in het wild vestigen en voortplanten.

Tussen 2007 en 2011 zijn regelmatig (levende en dode) stinkdieren gemeld in Zuidoost-Friesland, nabij het Fochteloërveen. Een aantal dieren vestigde zich in het Blauwe Bos. Ook werden dieren gezien in het Tonckensbos en op de Duurswouder Heide. In 2005 werden in het Blauwe Bos onvolwassen dieren gezien, wat duidde op voortplanting. Onduidelijk is hoe groot de populatie hier destijds was, omdat stinkdieren nachtactief zijn en beperkt kunnen worden waargenomen. Ontsnapte dieren bleken minder schuw en werden daardoor eenvoudiger en vaker waargenomen. Het grootste aantal tegelijk waargenomen dieren was vijf (inclusief jongen). Na 2011 zijn hier geen waarnemingen meer gedaan, zodat het huidige voorkomen onduidelijk is.

In 2005 werd in Midden-Limburg voor het eerst een doodgereden gestreept stinkdier gevonden. Vanaf 2009 zijn gestreepte stinkdieren gemeld bij Apeldoorn (2009), Noorderveld (Drenthe, 2010), Zaanstad (2012), Steenbergen (Noord-Brabant, 2015) en Glanerbrug (Overijssel, 2015).

Stichting Het Stinkdier krijgt nog steeds vragen over de verzorging van stinkdieren. De stichting schat het aantal gehouden stinkdieren in Nederland op enkele duizenden. De kans dat het stinkdier zich permanent in Nederland heeft gevestigd is reëel.

Lachduif (of Izabeltortel)

Duiven. We hebben op deze plaats al eerder over enkele duivensoorten (de postduif, de Turkse tortel en de diamantduif) gesproken. De één is een liefhebber (duivenhouders, lekkerbekken) en de ander schiet ze het liefst direct uit de lucht (agrariërs) vanwege de schade die ze aan gewassen kunnen aanbrengen.

In ons land wordt geen enkele duif tot een inheemse soort gerekend, al zijn sommigen hier al geruime tijd geleden gearriveerd. De postduif verblijft al sinds mensenheugenis, al zegt dat niet zoveel omdat we ons niet zoveel kunnen heugen van onze geschiedenis. De Turkse tortel verscheen hier in 1950 en ook de diamantduif is hier al een tijdje.
De lachduif (Streptopelia roseogrisea) is een kleine duivensoort die in de gortdroge landschappen ten zuiden van de Sahara vertoeft. Zijn leefgebied is eigenlijk een brede strook land van de Atlantische Oceaan tot aan de Indische Oceaan. Ook in zuidelijke streken van het Arabische schiereiland kun je hem nog aantreffen. Hoewel men kan vermoeden dat hij daarom van dorst houdt is dat ook weer niet het geval: de lachduif zorgt dat hij wel een beetje bij oases en andere waterbronnen blijft om te foerageren.

De lachduif meet ongeveer 26 van snavel tot einde staart. Deze de bovenzijde van deze duivensoort is overwegend grijsbruin van kleur. De buitenrand van de vleugel heeft een blauwachtige tint. De lachduif maakt soms een ietwat lachend geluid: wèh-wèh-wèh-wèh-wèh (soms vertaald als hi-hi-hi-hi-hi). Zoals alle andere duiven is ook de lachduif een zaadeter.

De naam izabeltortel wordt gebruikt om de wilde voorouder van de lachduif te omschrijven. Beide zijn dus tortelduiven en de lachduif is volgens de verhalen al door zeevaarders in de zeventiende eeuw gedomesticeerd. Zelf geloof ik dat die zeevaarders die lachduiven meenamen om in periodes van schaarste toch af en toe een stukje vlees te kunnen consumeren. Maar wat de werkelijkheid ook is, tegenwoordig bestaan er vele kleurvarianten. De witte vorm is bij duivenhouders zeer geliefd, maar er bestaan ook bonte en kaneelkleurige varianten. Ook hebben sommige mutaties gekrulde of extreem zijdezachte veren.

Maar het probleem van duiven die in gevangenschap worden gehouden is dat er nogal eens eentje weet te ontsnappen. Het gevolg van die jarenlange aanwas van lachduiven in ons landschap is dat de waarnemingen ieder jaar toenemen. Meer waarnemingen betekent ook meer gemopper van akkerbouwers.

Lachduiven zijn daarom een toenemend probleem. Overigens is dat niet alleen in Nederland het geval, maar er komen ook al klachten uit de Verenigde Staten, de Bahama's en Nieuw-Zeeland.

Zwartbekgrondel

De zwartbekgrondel (Neogobius melanostomus) heeft – om maar direct met de deur in huis te vallen – geen zwarte bek. Er is wel een kenmerkende zwarte vlek op het achterste deel van de eerste rugvin en dus was 'zwartvlekgrondel' misschien een betere benaming geweest. De zwartbekgrondel is inheems in grote delen van Centraal Europa, waaronder de Zwarte Zee en de Kaspische Zee. Ze zijn dus ook nog eens tolerant voor een ziltige omgeving.

De zwartbekgrondel is slechts één van de grondelsoorten die ondertussen in onze oppervlaktewateren leven. Het is een bodemgrazende vis die daardoor enige anatomische aanpassingen heeft ondergaan: zijn ogen staan bovenop zijn kop, zijn kop is breder dan de rest van het lichaam, waardoor hij een gedrongen uiterlijk heeft. De kleuren van deze vis varieren van geelgrijs tot olijfgroen. Deze kleuren worden onderbroken door bruine vlekken. Uiteindelijk kan de mannelijke zwartbekgrondel zo'n 25 centimeter lang worden. Het vrouwtje blijft iets kleiner.
Het is nogal een eind reizen van diens thuishaven, maar men gelooft dat het graven van het Mainz-Donaukanaal, die de verbinding vormt tussen het stroomgebied van de Rijn en dat van de Donau, het de zwartbekgrondel wel erg gemakkelijk heeft gemaakt. Maar deze vissenssoort was al vele decennia eerder aan zijn wereldreis begonnen en al in de jaren 50 van de vorige eeuw werd de zwartbekgrondel in het Aralmeer opgemerkt. Thans is hij zowel in West-Europa, Zuid-Europa als Noord-Amerika een vervelende exoot geworden die de inheemse soorten lijkt te gaan verdingen.

Hoe komt zo'n beest in Noord-Amerika terecht, zo zult u zich op dit moment vermoedelijk afvragen. Daar zijn verschillende routes voor te bedenken. De belangrijkste oorzaak is het lozen van onbehandeld ballastwater. Schepen nemen ballastwater in wanneer ze ongeladen moeten uitvaren en pompen datzelfde ballastwater weer weg als ze op de plaats van bestemming gaan laden. In dat ballastwater zaten soms eitjes van de zwartbekgrondel. Maar waarom, zo zult u opmerken, wordt dat ballastwater niet gefilterd of behandeld met chloor? Dat zou eigenlijk al jaren geleden verplicht zijn gesteld, maar onnozele politici bij de EU en VN steggelen al te lang over voorwaarden en kosten. Bovendien is het nu toch al veel te laat.

Een andere route waarlangs de zwartbekgrondel in vreemde wateren terecht is gekomen maakte gebruik van aquariumliefhebbers. Als ze waren uitgekeken op hun liefhebberij werden de vissen doodleuk in het slootje achter huis gekieperd.

En dus vangen sportvissers in toenemende mate de zwartbekgrondel in plaats van een voorn of een brasem. Had ik al verteld dat de zwartbekgrondel een thuisbasis is voor wel 52 verschillende parasieten?

Klootborstje

Onze art director Horst Dijkstra heeft opnieuw een onbekende soort beschreven die in de buurt van de havenstad Harlingen enkele keren is waargenomen. Het blijkt een zorgwekkende mutatie van het roodborstje (Erithacus rubecula) te zijn.
[Tekening: Horst Dijkstra]
Wetenschappers hebben deze zeer zeldzame verschijning de voorlopige naam klootborstje (Erithacus scrotuma) gegeven. Het verschil met het 'gewone' roodborstje is dat het mannetje van het klootborstje opvallende, op een mannelijk scrotum lijkende ballen op zijn borst heeft.

Men heeft geen enkel idee wat deze vreemde mutatie heeft veroorzaakt. Men vermoedt dat de vuilverbrandingsinstallatie (de REC) nabij Harlingen zoveel schadelijke stoffen heeft uitgestoten dat deze plaatselijk tot mutaties heeft geleid. Uiteraard ontkennen de verantwoordelijken van de gemeente Harlingen, de provincie Fryslân en de uitbater van de vuilverbrandingsinstallatie, de Omrin, dat deze vuilverbrander ook maar enige mutagene stof uitstoot.

Keep dreaming.

Italiaanse aronskelk

De Italiaanse aronskelk (Arum italicum) is het Mediterrane broertje van de inheemse gevlekte aronskelk (Arum maculatum). De Italiaanse aronskelk is hier al in de zeventiende eeuw gearriveerd en staat in Friesland bekend als stinzeplant. Dat zijn planten die ooit bedoeld waren om oude landgoederen aantrekkelijker te maken. De stinzeplanten duiken ook nog steeds op in tuinen waar weinig veranderingen plaatsvinden, zoals oude boerenhoeven, pastorietuinen en aanverwante milieus zoals kerkhoven, stadswallen en slotheuvels.

De Italiaanse aronskelk is al vroeg vanuit die milieus ontsnapt, vervolgens verwilderd en ze worden nu als ingeburgerd en inheems beschouwd. Toch is de Italiaanse aronskelk geen algemene verschijning en in het Waddengebied is deze soort alleen op Texel aangetroffen. Daar tref je hem aan in de meeste windsingels en bosjes.

Het meest opvallende verschil tussen de Italiaanse aronskelk en de gevlekte aronskelk is dat de eerste 'gemarmerde' bladeren heeft met een geelwitte tint langs de nerven, terwijl de bladeren van de tweede soms bruin- en zwartgevlekt zijn.
[Foto: www.jparker.co.uk]
Door de vorm van de spadix werd de gevlekte aronkelk soms als een lustverhoger, ofwel een afrodisiaca, gezien en dat was gezien zijn giftigheid nu niet echt een goed idee. Alle delen van de gevlekte aronskelk bevatten kristallen van calciumoxalaat, oplosbare oxalaten en cyanoforische glycociden. De gevolgen van inname zijn een gevoel van branderigheid en zwellen van de lippen, mond, tong en keel. Ook krijg je last van maagpijnen, krampen en duizeligheid door het eten van de bessen. Alle delen van de plant kunnen allergische reacties opwekken.

De knol van de gevlekte aronskelk kan behoorlijk omvangrijk worden en bevat veel zetmeel, dat – mits goed geroosterd en gemalen – in het verleden als voedsel gebruikt werd. Er werd in Engeland zelfs een drank van gebrouwen voordat thee en koffie werden geïntroduceerd. Ook werd van dat zetmeel een stijfsel geproduceerd waarmee de bekende kragen in de tijd van Elizabeth I (1533-1603) werden verstevigd en waar het ook een Engelse bijnaam aan te danken heeft: starchwort betekent stijfselwortel. Voor de wasvrouwen, die met dit stijfsel aan de slag moesten, was het beslist geen pretje omdat hun handen het door de giftigheid van de plant voortdurend moesten bekopen met pijnlijke blaren en kloven. Schoonheid had toen ook al zijn prijs. Al hoefden de rijkere landgenoten die prijs zelf niet te betalen.

Het blijft natuurlijk een klein raadsel waarom die rijke landeigenaren in Friesland (en deels in Groningen) het zo leuk vonden om een broertje van de gevlekte aronskelk aan te voeren vanuit den vreemde. Het enige verschil is immers slechts te zien aan de bladeren. Wellicht heeft het te maken met die zo menselijke karaktertrek: de ogen van je buren uitsteken met iets wat zij niet hebben. Wat dat betreft is er dus helemaal niets veranderd.

Zoetwaterkwal

Bah, kwallen. Dat zijn die creaturen die je strandvakantie danig kunnen vergallen door zich in grote aantallen door de stroming naar ondiep water te laten vervoeren en je daarna te steken met talloze netelcelen. Nu kan het gif van sommige kwallensoorten dodelijk zijn, maar dat valt bij de zoetwaterkwal (Craspedacusta sowerbii) wel mee. Men gelooft dat de zoetwaterkwal zo gering van afmeting is dat de menselijke huid niet door die netelcellen doorboord kan worden.
De zoetwaterkwal is in volwassen vorm ongeveer 2,5 centimeter in doorsnede. Daaronder hangen wel 400 afzonderlijke tentakels plus een maag met een mondopening en een viertal lippen. Dat is een handig systeem dat biologen manubrium noemen. Het grootste deel van het 'lichaam' is doorzichtig met een wittige of groenige gloed. De vele tentakels bevatten duizenden cellen met nematocysten, de weerhaakjes die gebruikt worden om prooien te vangen en als verdedigingsmechanisme. De zoetwaterkwal voedt zich met zooplakton.

Ooit, lang geleden, was de zoetwaterkwal alleen inheems in China en wel in de wateren van de machtige Yangtzerivier en diens zijrivieren. Maar de soort is inmiddels al in alle werelddelen (exclusief Antarctica) aangetroffen. De eerste melding buiten diens oorspronkelijke leefgebied werd al in 1880 gedaan: men trof de soort aan in Londen in een bassin met Braziliaanse waterlelies. Geen wonder dat men daardoor eerst het vermoeden had dat de zoetwaterkwal uit Zuid-Amerika afkomstig was.

De zoetwaterkwal wordt het meest aangetroffen in kalm of nauwelijks stromend water. Het vreemde is dat je deze kwallensoort jarenlang niet kunt aantreffen en dan plotseling zie je er duizenden. Hij begint zijn leven als een piepkleine poliep die vastgehecht zit aan waterplanten, takken of stenen. Hij vermenigvuldigt zich aseksueel gedurende de lente en zomer. Dat betekent vaak dat een hele kolonie uit óf allemaal mannetjes kan bestaan zijn óf uit allemaal vrouwtjes. Gedurende de koude wintermaanden gaan de poliepen in een soort winterslaap en die toestand noemen biologen podocysten.

Gedacht wordt dat deze podocysten van de ene plek naar de andere plek verspreid worden door waterplanten. Dat kan op een natuurlijke manier gebeuren, maar we weten natuurlijk allemaal dat waterplanten ook naar aquaria kunnen verhuizen. De volgende stap is dan dat overtollige waterplanten mét de zoetwaterkwal in het oppervlaktewater gedumpt kunnen worden.

Overigens heeft men ontdekt dat het kwallengif als een 'sleutel in het slot' blijkt te passen van de pijnreceptor TRPV1 die pijnsignalen naar de hersenen stuurt. Het gif houdt die receptor permanent open, waardoor die voortdurende pijn ontstaat. Laat diezelfde pijnreceptor nu gebruikt worden door chilipepers.