Vuurspringer

Vuurspringers (Philaeus chrysops) zijn springspinnen. Zijn naam dankt deze soort aan het opvallend getekende tot één centimeter lange mannetje: fraaie rode en witte beharing steekt goed af tegen het zwarte lijf dat het lijkt alsof hij een bewegend vlammetje is wanneer hij springt. Uiteraard (sorry dames) zijn de vrouwtjes ook deze keer veel saaier gekleurd, met allerlei bruintinten, maar de donkere wig op het achterlijf, die het mannetje ook bezit, is wel weer opvallend.
[Foto: Jari Segreto]

Deze springspin komt voor in Zuid- en Midden-Europa, Noord-Afrika en grote delen van Azië, waar ze leeft in zeer warme gebieden op rotsen, zandige plekken, muren of boomstammen.

In West-Europa geldt voor de verspreiding: hoe noordelijker, hoe zeldzamer. Al in Oostenrijk ten noorden van de Alpen zijn er bijvoorbeeld nog maar weinig vindplaatsen. In Polen wordt ze, zelden, tot behoorlijk noordelijk gevonden. Op de breedtegraad van ons land bestaan er enkele natuurlijke vindplaatsen in de deelstaten Sachsen en Brandenburg. Het gaat in Polen en Duitsland om vindplaatsen in zeer warme terreinen met schrale vegetaties als heide, schraalgrasland en stuifzand. Met andere woorden: de vuurspringer houdt van warme poten.

Soms wordt een exoot onvrijwillig meegevoerd en moet zich aanpassen aan een vijandige omgeving. Er bestaat immers geen retourticket. In Nederland wordt deze spinnensoort soms waargenomen. De eerste vondst stamt uit 2004 toen in een huis in Voorhout een mannetje en een vrouwtje werden gevonden. Toen duurde het tien jaar tot het volgende individu werd gezien, in 2014 in Hoofddorp. De rest van de waarnemingen is recent gedaan: twee in 2017 (Oostzaan en Brielle) en drie in 2018 (Groningen, Goes en Blaricum). Er lijkt dus een toename van het aantal waarnemingen te zijn.
De genoemde vindplaatsen van de vuurspringer geven al aanwijzingen over de mogelijke manier waarop de soort naar ons land is gereisd. In Hoofddorp werd de spin namelijk gevonden in een tuincentrum en in Groningen werd ze gevonden in een tuin waarnaast recent steeneiken uit Italië waren geplant. De overige vondsten zijn gedaan in tuinen en in huis. De plantenhandel lijkt dus een belangrijke rol te spelen bij het verslepen van de soort. Het lijkt ook een mogelijkheid dat de vuurspringer mee kan komen tussen de spullen van vakantiegangers uit het zuiden.

De opwarming van de aarde kan als reden en oorzaak genoemd worden om te verklaren waarom de vuurspringer steeds noordelijker wordt aangetroffen. Ons land is gemiddeld nog wat te frisjes voor deze spin, maar in stedelijke omgevingen blijft de warmte wat langer hangen. Het is in grote steden immers altijd enkele graden warmer dan in de dorpen in de periferie van ons land.

Blauwe hondstong

Hier in ons land is de veldhondstong (Cynoglossum officinale) een zeldzame verschijning geworden. In Nederland is hij tegenwoordig beperkt tot de duinen en de Waddeneilanden vormen de natuurlijke grens van zijn areaal. Meer landinwaarts waren er vroeger nogal wat groeiplaatsen op dijken in Zeeland, maar ook langs de rivieren is de veldhondstong geheel verdwenen. Als we een reden voor deze achteruitgang willen zoeken, dan dienen we de schapen de schuld te geven. De nootjes van de veldhondtong zijn klitvruchten en waren eigenlijk afhankelijk van grazende schapen. Als de begrazing gestaakt wordt is het gedaan met de veldhondstong.
[Veldhondstong]
Een Mediterraan broertje van de veldhondstong is de blauwe hondstong (Cynoglossum creticum). Zijn natuurlijke domein strekt zich uit over de kusten van de gehele Middellandse Zee, inclusief vrijwel alle eilanden.

Terwijl onze inheemse veldhondstong in het voorjaar met prachtige dieppaarse bloemen bloeit, doet de blauwe hondstong daar niet voor onder met zeer aantrekkelijke fletsblauwe tot violette exemplaren.
[Blauwe hondstong]
Heel af en toe treffen oplettende wandelaars een blauwe hondstong aan. Mocht je je afvragen hoe deze soort die lange reis van het zonnige zuiden naar het koelere noorden heeft afgelegd dan is ook deze keer het antwoord: schapen en toerisme. Ook de nootjes van de blauwe hondstong blijven aan schapenvachten klitten. Het kán dus zijn dat ze via de handel in schapenvachten in onze contreien terecht zijn gekomen, maar de meest voor de hand liggende oorzaak is uiteraard het toerisme. De nootjes blijven aan kleding en autobanden plakken en reizen zo ongemerkt mee naar Nederland.

Hier is de blauwe hondstong zeer zeldzaam, mede door de lagere temperaturen en de afwijkende ondergrond. Maar als deze soort dezelfde omstandigheden treft als in diens thuislanden, dan is hij in staat om uit te groeien tot een invasieve soort. Vraag maar aan de autoriteiten van de Amerikaanse staten Texas en Missouri.

Gewone Soliva

Soliva sessilis komt oorspronkelijk uit Zuid-Amerika. In Argentinië, Uruguay en zuidelijk Brazilië staat ze vooral op braakliggende terreinen en verstoorde bodems. Verder groeit de plant langs wegen, paden en bermen. Via de wolindustrie is Soliva sessilis in Zuid-Europa beland, vanwaar ze recent een opmars maakt richting het noorden. Tenten, campers en caravans zijn op het moment de grootste verspreiders van de zaden.
De plant is zo onbekend dat hij nog geen Nederlandse naam heeft. Laten we hier daarom maar besluiten dat hij de naam 'Gewone soliva' krijgt, een vertaling van de Engelse term. Het is een éénjarige plant uit de Composietenfamilie (Asteraceae). Ze ontkiemt in het vroege voorjaar en begint als rozet, waarbij de plant tijdens de groei erg laag blijft. Een kenmerk is dat de gewone soliva in het hart vaak rood aangelopen is waarbij de bladeren relatief lang gesteeld zijn en de bladvertakkingen steeds tegenoverstaand zijn. Als de vlakliggende stengels groeien, ontstaan in het hart van het rozet en de bladoksels de bloeiwijzen. De bloeiwijzen bestaan uit vele door een omwindsel omgeven buisbloemen waarbij de randbloemen ontbreken. De planten bloeien vanaf begin april tot juli. De zaden hebben een relatief lange stekel. Hierdoor blijven ze makkelijk kleven aan allerlei materialen als kleding, tentdoek en schoenen, maar ook aan de vacht van (huis)dieren. Op deze manier wordt de plant makkelijk door menselijke activiteit verspreid.

In 2016 werd de eerste vondst in Nederland gemeld op een camping bij Cadzand. In België was de gewone soliva al langer bekend als woladventief, omdat ze zich heel goed aan schapenvacht kan hechten. In het vroege voorjaar van 2017 zijn floristen gestart om Nederlandse campings te bezoeken met name langs de kust waarbij Gewone soliva op tal van plaatsen werd gevonden.

Van alle campingneofieten is de gewone soliva vooralsnog de enige soort met een vervelende bijsmaak. Na de bloei verschijnen namelijk de zaden met een venijnige stekel. Als je 's zomers op blote voeten over het gras loopt waartussen deze planten groeien, is dat niet alleen pijnlijk, maar ook zeer onaangenaam omdat de stekels van de zaden kunnen leiden tot huidontstekingen.
Op de campings staat ze met name op de seizoenplaatsen waar ze vaak dikke matten kan vormen op zowel de kale plaatsen als in het gazon. Andere plantensoorten kunnen hier weggeconcurreerd worden.

De snelle verspreiding en de sterke concurrentiekracht geven de gewone soliva een mogelijk invasief karakter. Verwacht wordt dat deze soort zich mogelijk binnen tien jaar behoorlijk over Nederland zal verspreiden en dan zeer waarschijnlijk ook buiten campingterreinen. Op andere continenten komt de plant ook veel voor in gazons van parken en sportvelden.

Bron: Sipke Gonggrijp

Resistente uitstaande melde

De inheemse uitstaande melde (Atriplex patula) is vertakt, wordt tot 1,5 m hoog en is witbepoederd. De stengels hebben witgroene of roodgroene strepen. Deze melde bloeit van juli tot september. De mannelijke bloem heeft vijf groene bloemblaadjes en vijf meeldraden. De vrouwelijke bloem heeft twee stempels met twee wrattige schutbladen.
Deze plant is een familielid van de als lastig beschouwde amaranten, die akkerbouwers nogal wat overlast bezorgen. Al in 2016 schreef ik hier ietwat bezorgd over de mogelijke resistentie van de amarantfamilie tegen Roundup Ready 2 Xtend. Nu blijkt dat de uitstaande melde ook steeds vaker resistentie heeft opgebouwd tegen het onkruidbestrijdingsmiddel metamitron van Bayer.

Telers van suikerbieten treffen namelijk steeds vaker resistente uitstaande melde aan tussen hun bieten. Limburgse bietentelers merken al enkele jaren dat bespuitingen met de actieve stof metamitron steeds minder goed aansloegen. In 2017 bleek uit onderzoek dat op enkele percelen in Zuid-Limburg de zogenoemde 251-mutanten voorkomen. Deze planten blijken verminderd gevoelig voor metamitron. Dan rest niets anders dan een volledige dosering metamitron na het zaaien en direct na opkomst opnieuw te spuiten.

In België is naast de 251-mutant, rondom Brussel ook de 218-mutant aangetroffen. Die mutant is niet alleen minder gevoelig voor metamitron, maar ook voor de stoffen desmedifam en fenmedifam. Bevat een perceel een hoge bezetting van de 218-mutant uitstaande melde, dan is er eigenlijk geen chemische oplossing meer mogelijk .

Tot op heden zijn drie puntmutaties bekend die resistentie tegen metamitron veroorzaken: de mutatie van alanine251 naar valine, de mutatie van serine264 naar glycine, en de mutatie van leucine218 naar valine[1].

De alanine251 naar valine mutatie veroorzaakt een sterke resistentie tegen metamitron en metribuzin en een zwakke resistentie tegen terbuthylazin en bentazon. De serine264 naar glycine mutatie veroorzaakt niet alleen resistentie tegen metamitron maar ook tegen atrazin, metribuzin, terbuthylazin, lenacil en chloridazon. De leucine218 naar valine mutatie geeft resistentie tegen metamitron en metribuzin, maar slechts een zwakke resistentie tegen fenmedifam, chloridazon en lenacil.

Zo blijkt een inheemse plant toch nog exotisch te kunnen worden als gevolg van menselijk falen. De mutaties zijn namelijk ontstaan doordat boeren werd aangeraden om een zo laag mogelijke dosering metamitron te gebruiken.

[1] Thiel, Varrelmann: Identification of a new PSII target site psbA mutation leading to D1 amino acid Leu218 Val exchange in the Chenopodium album D1 protein and comparison to cross-resistance profiles of known modifications at positions 251 and 264 in Pest Management Science - 2014

Japanse hulst

Buxus (Buxus sempervirens) is een populaire heester. Ze is winterhard en goed bestand tegen snoeien en wordt daarom veel toegepast in tuinen. De populariteit van deze heester is echter tanende. Dit heeft ermee te maken dat de struik in toenemende mate wordt aangetast door allerlei ziekten en plagen, waaronder de oorspronkelijk uit Azië afkomstige buxusmot.
Vanwege deze aantastingen zijn kwekers op zoek gegaan naar wintergroene heesters die minder last hebben van allerlei kwalen en die zich net als buxus in allerlei vormen laten snoeien. De populairste en de meest op buxus lijkende vervanger is de Japanse hulst (Ilex crenata). Ik geef toe dat de soort nog niet in het bezit is van een officiele Nederlandse naam, maar in de handel wordt hij Japanse hulst genoemd.

De soort lijkt overigens totaal niet op onze inheemse hulst (Ilex aquifolium). De Engelse namen box-leaved holly en boxleaf holly zijn treffender en refereren aan de sterke gelijkenis met buxus. De Japanse hulst wordt ook als kant-en-klaar gesnoeid Bonsaiboompje uit Japan geïmporteerd.

De Japanse hulst is een altijdgroene struik of kleine boom die enkele meters hoog kan worden. Het oorspronkelijke verspreidingsgebied omvat het oosten van China, Taiwan, Korea en Japan. Binnen dit verspreidingsgebied komt de soort in verschillende variëteiten voor. De Japanse hulst heeft net als buxus stevige, donkergroene, kort gesteelde blaadjes, die ongeveer twee centimeter lang en één centimeter breed zijn. De Japanse hulst is van de buxus te onderscheiden doordat de blaadjes naar de top enigszins gekarteld-gezaagd zijn (buxus is gaafrandig). De Japanse hulst vormt kleine besjes (circa een halve centimeter in doorsnee) die bij rijpheid zwart zijn en door vogels gegeten worden. Buxus vormt doosvruchten met droge zaden die door mieren verspreid worden.

Sinds 2009 wordt melding gemaakt van verwildering van de Japanse hulst in Nederland. Een verband met de toegenomen aanplant als alternatief voor buxus lijkt voor de hand te liggen. Momenteel is de soort sporadisch al in heel Nederland gemeld. Het is niet altijd duidelijk of de planten zich spontaan vanuit tuinen verspreiden of als tuinafval gedumpt worden. Op sommige groeiplaatsen groeit de soort echter samen met andere, vaak uit tuinen verwilderende, besdragende soorten als hulst en laurierkers. Dit maakt het aannemelijk dat het hier gaat om spontane vestigingen uit zaden die door besetende vogels verspreid worden.

Of we met deze vervanger van buxus een nieuwe invasieve exoot hebben binnengehaald wordt door de natuur zelf beantwoord. In enkele Amerikaanse staten wordt de soort al als potentieel invasief beschouwd. Het is een goede zaak om de verdere verspreiding van de soort hier tegen te gaan in het kader van: voorkomen is beter dan genezen. Als altijdgroene soort is de Japanse hulst ook in de wintermaanden goed te herkennen.

Deze column is gebaseerd op een artikel in 'Kijk op Exoten' van Ruud Beringen & Edwin Dijkhuis (Floron).

Wortelcysteaaltje

Het wortelcysteaaltje (Heterodera carotae) is een nematode die ziekteverschijnselen bij planten veroorzaakt. In Engelstalige landen staat deze pest bekend als carrot root nematode of carrot cyst nematode. De eerste zou in het Nederlands vertaald kunnen worden als 'wortelwortelnematode'.
Zoals de naam al aangeeft heeft het wortelcyteaaltje maar een beperkt aantal gastheren: de wortel (Daucus carota) en de 'mooie wortel' (Daucus pulcherrima). In Europa is deze parasiet al waargenomen in Duitsland, Frankrijk, Portugal, Italië, Cyprus, Hongarije, Polen. Zweden, Rusland, Tsjechië, Groot Brittannië, Ierland en ook – jawel – Nederland. Ook zijn er infecties bekend in India en in de staat Michigan (USA).

Symptomen van infecties met deze nematode zijn, onder andere, delen van het gewas vertonen een verminderde groei, dwerggroei (of verminderde groei) van individuele planten met bronskleurige bladeren, kleine vervormde wortels, kleine verweven wortelvorming en de karakteristieke cysten.

In lichte grondsoorten kan, indien groei van nematoden ongebreideld kan plaatsvinden, is een opbrengstvermindering van 20 tot 80 procent mogelijk.

Zoals zo vaak kan de nematode eenvoudig verspreid worden door het gesleep met besmette grond, plantmateriaal en werktuigen. De ingesdoogde cystes kunnen meer dan tien jaar levensvatbaar blijven.

Als een akkerbouwer wortels op besmette gronden blijft verbouwen dat kan de infestatie per jaar tienvoudig vermenigvuldigen. Er is nog maar weinig aandacht voor deze exotische nematode, maar ik vrees dat dit niet al te lang meer zal duren voordat men tot het inzicht komt dat ook het wortelcysteaaltje op een zwarte lijst komt te staan.

Yucca

De yucca of palmlelie (Yucca flaccida) is inheems in de droge zuidelijke delen van Noord-Amerika. Het is een steelloze altijdgroene plant die tot anderhalve meter hoog kan opgroeien. De plant vormt een rozet van scherpe, zwaardvormige bladeren die tot 50 centimeter lang kunnen uitgroeien. In de zomer bloeit deze woestijnbewoner met prachtige pluimvormige bossen crèmewitte belvormige bloemen.
Al die kenmerken zorgden er voor dat de yucca wereldwijd als kamerplant werd verkocht. Of liever, als kantoorplant om de troosteloze atmosfeer, die in de meeste kantoren hangt, wat te verbeteren.

Soms proberen mensen hem als tuinplant te gebruiken en dat lukt soms. Laat hem voorzichtig wennen aan de buitentemperatuur en haal hem zo nodig in de koude wintermaanden binnen. Zoek een beschut plekje voor hem want zijn genen zijn natuurlijk gewend aan de warmte van de woestijn. Als gevolg van die eigenschappen zal het natuurlijk niet voorkomen dat de yucca in ons land verwilderd wordt aangetroffen.

Uhm, had ik op deze site al niet veel vaker gemeld dat de natuur zich niet altijd aan de spelregels houdt? Want, hoe onlogisch het ook klinkt, in 2017 vonden vrijwilligers van Floron, Niko Buiten en Corry van Breen, tijdens een planteninventarisatie bij Zandvoort de Yucca op enkele duintoppen in het duingebied Kraansvlak (gemeente Kennemerland). Begin februari 2018 zijn de planten verwijderd uit het duin.
[Yucca's in Nederlands duingebied. Foto: Sven Pekel]]

Kennelijk is de lagere temperatuur in ons land toch niet laag genoeg om verspreiding van de yucca tegen te gaan. In België wordt al enige jaren gesproken van een invasieve soort, en in Nederland lijkt Yucca zich ook steeds meer die kant op te ontwikkelen.

Inmiddels is Yucca in Nederland ook elders in het duingebied en andere natuurgebieden op met name zandgronden waargenomen. Hoe zij haar weg zo ver in het duingebied heeft gevonden is nog niet bekend. In Amerika vormt Yucca vruchten met zaad dankzij bestuiving door de Yuccamot, een insect dat zich heeft gespecialiseerd in de Yucca. In Nederland komt de Yuccamot niet voor, maar Europese hommels blijken in staat Yucca aloifolia, een (nog) niet verwilderende Yuccasoort, te bestuiven en bevruchten. Of er in Nederland sprake is van bestuiving weten we nog niet, maar het zou wel een aantal waargenomen zaailingen en afgelegen vindplaatsen kunnen verklaren. Wat we wel weten is dat Yucca zich gemakkelijke vegetatief kan vermeerderen uit stukken stam en wortel. Buiten natuurgebieden wordt de soort voornamelijk gevonden op plaatsen waar tuinafval wordt gedumpt.

Tomatenchlorosevirus

In Nederland is weer een nieuw virus opgedoken dat behoorlijke schade kan aanrichten aan belangrijke voedselgewassen: het tomato chlorosis virus (ToCV). Het virus heeft het, onder meer, gemunt op chilipeper (Capsicum annuum), aardappel (Solanum tuberosum), sla (Lactuca sativa), tabak (Nicotianum tabacum) en tomaat (Lycopersicon esculentum). Veel van deze gewassen behoren tot de Nachtschadigen en dat betekent direct dat ook enkele gerelateerde tuinplanten, exoten, danwel onkruiden ook tot de waarplanten kunnen worden gerekend.

Het tomato chlorosis virus (de Nederlandse naam zal wel Tomatenchlorosevirus worden en die zullen we dan ook maar gaan gebruiken) behoort tot de grotere familie der Crinivirussen.
Het tomatenchlorosevirus wordt overgebracht door verschillende witte-vliegsoorten, waarvan de kaswittevlieg (Trialeurodes vaporariorum), de tabakswittevlieg (Bemisia tabaci) en de gestreeptvleugelige wittevlieg (Trialeurodes abutiloneus) voor Nederland de belangrijksten zijn. Het virus wordt niet overgedragen via menselijk contact en ook niet via zaad.

Het belangrijkste symptoom bij alle gewassen is tussennervige chlorose op wat oudere bladeren in het midden van de plant, soms aangevuld met lichte bladrol. Symptomen van gebreksziekte kunnen onderaan de plant vergelijkbare tussennervige chlorose veroorzaken, maar bij tomantenchlorosevirus is dit vaak wat onregelmatiger verdeeld over het blad. Bij een virusinfectie hebben sommige bladeren zowel tussennervige chlorose als normaal groene zones.

In een groot aantal Zuid-Europese landen kwam het virus al jaren voor in de tomatenteelt. In Nederland was het virus nog niet eerder aangetroffen, maar deze lege plek op de Europese landkaart is nu (eind 2017) ingevuld. In een Nederlandse tomatenkas nabij Venlo werd het virus nu voor het eerst waargenomen.

Het virus heeft geen quarantainestatus, maar heeft binnen de Europese Unie wel de status 'risico voor de gehele gemeenschap'. Daarom zal de NVWA alles in het werk stellen om het virus uit te bannen. De sector neemt de vondst van het Tomatenchlorosevirus bijzonder serieus. Er is zelfs een crisisteam gevormd.

Pinot gris en Schiermonnikoog

Pinot is de Engelse verbastering van het Franse pineau, wat een combinatiewoord is van van pin (denneboom, pine tree) en het verkleinwoord eau. Samen is dat dus 'denneboompje' en het verklaart de vorm van de druiventrossen. Er bestaan een aantal varianten, namelijk de pinot noir ('zwart'), pinot blanc ('wit') en pinot gris ('grijs').
De pinot gris wordt, afhankelijk waar de wortels van de wijnranken staan, ook pinot grigio (Italië) of Grauburgunder ('Grijze Bourgondiër', Duitsland) genoemd. Deze variëteit is een natuurlijke mutatie van de pinot noir, een mutatie die al eeuwen geleden moet hebben plaatsgevonden. De pinot gris heeft gewoonlijk grijs-blauwe druiven, maar die druiven kunnen ook een bruinachtige roze tint vertonen en zelfs rassen met witte druiven komen voor. Wijnen, gemaakt van deze druif, kunnen ook behoorlijk in kleur variëren: van een diep goudgele kleur via koperkleurig tot zelfs versies met een lichtroze zweem.

De pinot gris was al in de Middeleeuwen bekend in de Franse provincie Bourgondië, waar een voorvader van de druif mogelijk bekend stond als Fromenteau of Beurot. Mijn gevoel zegt dat je dat misschien als 'kaaskleurig' of 'boterkleurig' zou kunnen vertalen, maar dat gevoel is verkeerd, want  Fromenteau wordt vertaald als 'tarwe' (en wil dus ook al de bloeiwijze van de druif verklaren). De populariteit van de druif zorgde er voor dat deze rond het jaar 1300 in Zwitserland arriveerde. Daarna was Hongarije aan de beurt waar Cisterciënzer monniken ofwel grijze monikken in 1375 wijnranken plantten in de regio Badacsony, waar men op de noordhellingen, grenzend aan het Balatonmeer, een perfect klimaat en vulkanische ondergrond vond. Daar werd de druif al snel Szürkebarát ('grijze monnik') genoemd.
[Onze favoriet. Gewoon te koop bij Albert Heijn]
Slechte en onvoorspelbare oogsten zorgden er voor dat de pinot gris rond het jaar 1800 overal wat uit de gratie raakte, maar nieuwe clonen zorgden de laatste jaren voor een echte rivival van de pinot gris. Op Sicilië groeit de pinot grigio nu uitbundig en dat levert een heerlijke wijn op. Gewoon te koop bij Albert Heijn.

Overigens: de grijze monniken zijn uiteraard ook de naamgevers van het Waddeneilanden Schiermonnikoog en (het verdwenen) Monnikenlangenoog. Of ze op die eilanden ooit de pinot gris hebben verbouwd vertelt de historie niet.

Kidneybonen

HAK test teelt kidneybonen op Nederlandse grond, luidde de kop boven een persbericht op 5 oktober 2017.

Groentefabrikant HAK heeft begin oktober voor het eerst kidneybonen geoogst op Nederlandse bodem. De kidneyboon of nierboon is een variëteit van de gewone boon (Phaseolus vulgaris). De exotische bonensoort, die normaal gesproken veelal in Noord-Amerika wordt geteeld en geoogst, blijkt ook goed te gedijen in Zeeuws-Vlaanderen. De proef maakt onderdeel uit van een reeks tests die de groentefabrikant uitvoert met de teelt van exotische bonensoorten in Nederland.
HAK is bezig met te onderzoeken of de kidneyboon in Nederland te telen is. Veel bonensoorten gedijen voornamelijk in een landklimaat en hebben in Nederland meer tijd nodig om te volgroeien, wat nadelig is voor de kwaliteit en de smaak. Dit gaat voor de kidneyboon echter niet op, zo blijkt uit de eerste proeven van de groentefabrikant.

HAK wil zo veel mogelijk groenten, peulvruchten en fruit betrekken binnen een straal van 125 kilometer van de fabriek in Giessen. Op dit moment komt ruim 70% van de groenten van HAK uit de buurt van Giessen. Alleen voor groenten en peulvruchten die uit klimatologisch oogpunt nog niet in Nederland kunnen worden geteeld of bij tegenvallende Nederlandse oogsten, kan de groentefabrikant een uitzondering maken.

Voor de productie van kidneybonen werkt HAK al jaren samen met telers in Noord-Amerika, waaronder Canada, een plek waar deze bonen van oudsher goed groeien. De kennis en ervaring van deze boeren wordt nu ingezet om te onderzoeken of deze bonensoort ook in Nederland kan worden geteeld. HAK heeft van de Nederlandse kidneybonen 4 hectare ingezaaid, van zowel de kleine als de grote rode kidneyboon. Deze bonen zijn begin oktober 2017 geoogst, na de eerste droge dagen van de maand, zodat het vochtgehalte en dus de kwaliteit van de boon het juiste niveau heeft. Als de kwaliteit en de kwantiteit van Nederlandse oogst voldoen aan de normen, zal de groentefabrikant de productie van Nederlandse kidneybonen verder opschalen.
Goed plan, zo zou je denken. Minder zogenaamde voedselkilometers, maar reken er maar op dat we ze binnen niet al te lange tijd in ons land verwilderd zien opduiken.

Monniksparkiet

De monniksparkiet (Myiopsitta monachus) stamt uit Zuid-Amerika. Men verdeelt de soort gemakshalve in enkele ondersoorten: de (gewone) Monniksparkiet (Myiopsitta monachus monachus - zuidoostelijk Brazilië, Uruguay en noordoostelijk Argentinië), de Paraguay monniksparkiet (Myiopsitta monachus cotorra - zuidelijk Bolivia, zuidelijk Brazilië, Paraguay en noordwestelijk Argentinië) en de Menddoza monniksparkiet (Myiopsitta monachus calita - westelijk Argentinië).
Monniksparkieten hebben een groene kop, een olijfgroene buik en een lange, groene staart. Hun voorhoofd, wangen, kin, keel en de bovenborst zijn lichtgrijs. Ze hebben een lichtbeige-roze snavel. De totale lichaamslengte bedraagt zo'n 30 centimeter. Het verschil tussen mannetjes en vrouwtjes verwaarloosbaar. Het is geen wonder dat de monniksparkiet een populaire volièrevogel is.

Vreemd genoeg onderschatten mensen, die een vogel als de monniksparkiet in gevangenschap houden, altijd de roep van de natuur zelf. De vrijheid lonkt ook voor de monniksparkieten, al zal het vergaren van voldoende voedsel wat lastiger blijken te zijn. Bij hun zoektochten naar voedsel kunnen ze echter grote schade aanrichten aan gewassen, zoals graan en mais. Ik hoor het gemopper van de akkerbouwer al.

Toch hebben die vogelliefhebbers een theorie ontwikkeld dat je monniksparkieten 'halfwild' - of is het 'halftam' - kunt laten leven. Na een acclimatieperiode in een volière geven ze hun monniksparkieten de 'halve vrijheid' en hopen ze dat de vogels iedere dag terugkomen om hun voedsel te halen. Dat gaat heel vaak en heel lang goed, maar zo af en toe blijken ze toch te verwilderen.

In Apeldoorn leeft sinds 2000 een vrij grote groep monniksparkieten halfwild. Er worden echter steeds meer broedgevallen gerapporteerd, dus geleidelijk aan is het een zelfstandige wilde populatie aan het worden.

In Deventer is een grote groep rondom het Rijsterborgherpark te vinden. Stichting Vogeleiland beheert een aantal volières in dat Rijsterborgherpark. Een paar malloten van die stichting hadden enige jaren geleden besloten dat het een leuk idee was de kooi met monniksparkieten open te laten staan zodat vogels vrijelijk in en uit konden vliegen. Daarna gebeurde wat iedereen kon zien aankomen: monniksparkieten verwilderden, gingen broeden en veroorzaakten overlast.

Aha, dacht Wilfred Reinhold, voorzitter het Platform Stop Invasieve Exoten, het is op grond van de Flora- en Faunawet plus de nieuwe Wet natuurbescherming, verboden om deze dieren in de natuur uit te zetten. Bovendien behoort de monniksparkiet tot de 90 invasieve exoten die op nationaal niveau zouden moeten worden aangepakt. Reinhold vroeg daarom staatssecretaris om Stichting Vogeleiland te dwingen alle vogels terug te vangen. De staatssecretaris wees eind 2014 het handhavingsverzoek af, omdat de stichting op dat moment alle monniksparkieten zou hebben gevangen. Enkele weken later werden ze opnieuw gezien, wat voor het platform reden was om bezwaar aan te tekenen.

Dat hielp dus niet, want de Raad van State besloot in haar oneindige wijsheid dat van die paar rondvliegende verwilderde monniksparkieten niet kon worden vastgesteld dat ze uit de volieres van Stichting Vogeleiland afkomstig waren. Duh.

Bladvlekkenziekte in tuinbonen

Bladvlekkenziekte in tuinbonen wordt veroorzaakt door een schimmel met twee gezichten: Ascochyta fabae kan zich a-seksueel ofwel ongeslachtelijk voortplanten, maar er bestaat ook een versie die zich geslachtelijk kan voortplanten. Dat noemt men een teleomorf en die heeft een andere naam gekregen, Didymella fabae. De schimmels ziet er onder de microscoop verschillend uit en het was lange tijd onbekend dat beide versies varianten van één en dezelfde schimmel waren.
De symptomen van infectie ontstaan op de bladeren, de stelen en de peulen van de tuinboon. Wanneer planten zijn opgekweekt vanuit geïnfecteerde bonen zijn die symptomen nog duidelijker waarneembaar. De gelige vlekken op het bad zijn cirkelvormig. Na verloop van rijd verandert de kleur in lichtbruin tot donkergrijs, omgeven door een brede, chocoladekleurige rand.

Vooral in vochtige omstandigheden zullen de peulen niet aan de schimmel ontkomen en de schimmel wordt zichtbaar als een lichtroze tot gele massa.
Bladvlekkenziekte in tuinbonen is een veelvoorkomende en soms zeer veel schade berokkenend ziektebeeld dat op alle (bewoonde) continenten is waargenomen. Zoals altijd hangt die schade af van de weersomstandigheden de resistentie van de geteelde cultivar. Teeltverlies kan behoorlijk oplopen: tot 40% werd een aantal opeenvolgende jaren gemeld uit Tsjechië. In Engeland blijkt het verlies aan opbrengst betrekkelijk laag te zijn, al kan de schade later in het seizoen nog behoorlijk oplopen, vooral bij tuinbonen die nog in de nazomer geplant zijn. Bij kwetsbare variëteiten kan het verlies zelfs oplopen tot 90 tot 100 procent.

Tuinbonen behoren in grote delen van de derde wereld tot het basisvoedsel. Het is duidelijk dat men resistentie wil inbouwen in tuinbonen om zo hongersnoden te voorkomen of beperken. Daar beginnen echter de problemen, omdat men er tot nu toe niet in is geslaagd de wilde voorouder van de tuinboon te vinden. Het was zelfs lange tijd onduidelijk waar de oertuinboon precies heeft gewoond.
Mijn Italiaanse vriendin Valentina Caracuta, een paleobotaniste, heeft tijdens opgravingen nabij Mount Carmel in Israël zes verkoolde tuinboonzaadjes gevonden die 14,000 jaar oud zijn. Die zaadjes werden ontdekt in de oudste lagen van bewoning van een stam jagers-verzamelaars die Natufian worden genoemd. Zij bewoonden het oostelijk Middellandse Zeegebied van ongeveer 13,000 tot 9,700 jaar geleden[1].

Na grondig onderzoek bleek dat het zaadjes waren van de wilde voorouder van de tuinboon. Omdat de tuinboon pas 10,000 getemd werd, moesten dit wel de zo gewilde wilde tuinboon zijn. Nu weten wetenschappers de plaats waar ze naar de wilde tuinboon moeten zoeken, want als hij ooit in noordelijk Israël in het wild groeide, kan hij zich daar nog steeds verschuilen.

[1] Caracuta et al: 14,000-year-old seeds indicate the Levantine origin of the lost progenitor of faba bean in Scientific Reports - 2016

Valse Meeldauw in Druif

Valse meeldauw in druif of Grape Downy Mildew wordt veroorzaakt door een pseudoschimmel met de naam Plasmopara viticola. Het is de meest verwoestende ziekte die druiven (Vitis vinifera) kan treffen. De pseudoschimmel slaat voornamelijk toe in klimaten met relatief warme en vochtige zomers.
Het ziektebeeld werd al in 1834 ontdekt in het zuidoosten van de Verenigde Staten en het duurde maar een paar jaar voordat Plasmopara viticola ook in Europa terecht kwam, het gevolg van gesleep met onbehandeld zaadmateriaal. Omdat de Europese druivenrassen geen enkele evolutionaire resistentie hadden ontwikkeld tegen deze pathogeen, waren de gevolgen verschrikkelijk.

De Franse druivenoogst mislukte in 1845 vrijwel volkomen en hele wijngaarden bezaten alleen maar dode druivenranken. In 1851 had valse meeldauw in druif iedere wijngaard in Europa bereikt. Het meest dramatische jaar bleek 1854 te zijn toen 80% van de Franse druivenoogst als verloren kon worden beschouwd. Binnen een paar jaar begon men echter de Europese rassen te enten op de Amerikaanse wortels in de hoop een meer resistente druivenras te ontwikkelen.
Ondanks alle sanitaire maatregelen kon Australië niet voorkomen dat de eerste druiven in 1998 besmet raakten. Intussen is valse meeldauw in druif een landelijk probleem geworden.

De symptomen van valse meeldauw in druif variëren van necrose aan de stam en stelen en verkleuring, waaronder bruine vlekken en geelgroene punten aan de bladeren. Aan de onderzijde van de bladeren is vaak een grijze, op katoen lijkende substantie te zien. De druiven zelf kunnen ook aangetast zijn en het lijkt alsof ze een grijs, schimmelig jasje aanhebben. Die schimmel produceert sporen die met de wind worden meegevoerd en die kunnen weer zorgen voor een secundaire infectie.

Bestrijding is lastig, maar iedere actie die de hoeveelheid vocht in de wijngaard vermindert is al een goede zet. Denk aan het verbeteren van de afvoer van regenwater, het planten van druiven in de richting van de windrichting en onkruidbestrijding om de wind zoveel mogelijk vrij spel te geven. Is dit alles niet voldoende dan grijpen de wijnboeren onverbiddelijk naar de gifspuit in de hoop hun productie te redden. Dat is effectief en dat gif houdt al meer dan 150 jaar de pseudeschimmel onder controle.
Er zijn wat druivenrassen ontwikkeld die in meer of mindere mate resistent zijn tegen Plasmopara viticola, maar of een wijnboer zijn geliefde wijnranken zou willen inruilen voor een vage cultivar is natuurlijk maar de vraag.

Valse Meeldauw in Zonnebloemen

Valse meeldauw in zonnebloemen of Sunflower Downy Mildew wordt veroorzaakt door de pseusoschimmel Plasmopara halstedii. Sinds het jaar 2000 zijn er in North Dakota (USA) al een twaalftal verschillende 'rassen' aangetroffen. Drie van deze zorgen voor meer dan driekwart van de totale populatie: ras 710 (20 procent), ras 730 (40 procent) and ras 770 (23 procent). Het blijkt dat het ene jaar het ene ras het vaakst voorkomt op een perceel, maar dat het volgende jaar er een ander ras weer de kop opsteekt.
De symptomen van valse meeldauw in zonnebloemen variëren. Zaailingen kunnen geïnfecteerd raken via de zich ontwikkelende wortels. Omdat de pseudoschimmel zich in de bodem ophoudt, zullen de wortels in contact komen met Plasmopara halstedii. Het gevolg is een dood zonnebloemplantje, waardoor er soms hele kale plekken op de akker te zien zal zijn. Soms moet een akkerbouwer tot 95% van zijn opbrengst als verloren beschouwen.

Als de zonnebloemen die eerste aanval weten te overleven zullen de eerste symptomen te zien zijn in de bladeren. Die worden dik en zullen gele vlekken (chlorosis) gaan vertonen. Witte, op katoen lijkende schimmel is dan aan de onderzijde van het blad duidelijk waarneembaar. De planten vertonen ernstige dwerggroei en de zaadproductie zal behoorlijk verminderd blijken als de plant het volwassen stadium zal bereiken.

Een secundair probleem ontstaat wanneer de wind de sporen van de valse meeldauw over het veld heeft verspreid. De symptomen zijn dan een stuk milder omdat de plant nog steeds voldoende voedingsstoffen uit de niet besmette bodem kan halen. Toch zal er aan de onderzijde van de bladeren een witgekleurde schimmel te zien zijn. Deze secundaire aantasting zal zelden tot verlies van opbrenst leiden.
Wat moet je er als akkerbouwer aan doen om besmetting van je kostbare zonnebloemen te voorkomen? Het wordt aanbevolen om zonnebloemzaden te gebruiken die resistent zijn tegen deze ziekteverwekker. Echter ontstaan er voortdurende nieuwe 'rassen' en zelfs deze hybriden kunnen daartegen soms onvoldoende resistentie bieden. Een andere oplossing is om de zaden te omhullen met een fungicide, maar ook hier is de natuur de wetenschap de baas: het pathogeen heeft intussen resistentie ontwikkeld tegen de twee meest gebruikte fungiciden, metalaxyl en mefanoxam.

In Australië, waar de ziekteverwekker niet voorkomt, heeft men een doelmatige oplossing gevonden. Ieder geïmporteerd zaadje krijgt een behandeling met heet water, met een schimmelwerend middel en men is verplicht om het zaad minimaal twee seizoenen in een bak te verbouwen. Dat helpt dus, maar alleen als Plasmopara halstedii nog niet in de bodem leeft.

In vrijwel geheel Europa is deze lastpak aangetroffen. Officieel is in Nederland deze pseudoschimmel nog niet waargenomen, maar hier worden niet op grote schaal zonnebloemen verbouwd. Toch?

Valse Meeldauw in Suikerbiet

Valse meeldauw in suikerbiet of Sugarbeet Downy Mildew wordt veroorzaakt door een pseudoschimmel met de naam Peronospora farinosa. Daar beginnen al direct de problemen, want deze pseudoschimmel kan zich vermommen om ook andere families, zoals spinazie of quinoa, aan te vallen. Dan krijg je dus een speciale vorm, een forma specialis. De variant die suikerbiet op het menu heeft staan kreeg derhalve de naam Peronospora farinosa forma speciale betae.

Omdat de oorsprong van de oerbiet ooit in Zuid- en Centraal-Azië heeft gelegen en ook juist daar valse meeldauw het meest toeslaat, denkt men dat ook daar de pseusoschimmel zich ontwikkeld heeft[1].

Bij aantasting door valse meeldauw krullen de hartbladeren van een suikerbiet naar beneden om, zijn verkroesd, dikker en grijsgroen verkleurd. Later worden ze zwart en sterven af. De buitenste bladeren kleuren geel. Vooral op de onderzijde van het hartblad is een dikke grijze paarkleurige donslaag van sporen te zien.

Wanneer de weersomstandigheden ongunstig voor de schimmel worden, stopt de aantasting en de verspreiding over het perceel. Het grijze schimmelpluis verdwijnt dan. Wanneer de kop van de biet nog voldoende gezond is kunnen weer nieuwe, gezonde hartbladeren gevormd worden. Bij zware aantasting sterft de kop af en kan eventueel gaan rotten doordat er regenwater in de kop blijft staan. Het schimmelpluis kan later in het seizoen weer terugkomen als de omstandigheden weer gunstig worden voor de schimmel.
De pseudoschimmel gedijt goed bij een hoge luchtvochtigheid (tot 90 procent) en lage temperaturen (tot 15oC). Peronospora farinosa overleeft op gewasresten in de grond en overwinterende waardplanten. De aantasting in suikerbieten is het grootst na een milde winter met weinig of geen vorst. De meeste sites melden dat 'de aantasting zich beperkt tot enkele planten op het perceel en dan is de schade niet noemenswaardig'. Tot het teeltjaar 2014 toen '...in 5 tot 10% van de velden werden ongewoon zware aantastingen door valse meeldauw … waargenomen...'.

In ons land is valse meeldauw op suikerbiet niet te bestrijden omdat de regering in al zijn wijsheid heeft besloten geen werkzame middelen toe te staan. Wat de zaadproducenten doen is om het suikerbietenzaad omhullen met een fungicidelaagje. Dat helpt de suikerbiet in ieder geval door zijn eerste kwetsbare periode heen.

[1] Thines, Choi: Evolution, Diversity, and Taxonomy of the Peronosporaceae, with Focus on the Genus Peronospora in Phytopathology - 2016. See hier.

Valse Meeldauw in Basilicum

Valse meeldauw in basilicum of Basil downy mildew wordt veroorzaakt door een pseudoschimmel met de naam Peronospora belbahrii. Deze ziekteverwekker heeft het vrijwel over de hele wereld gemunt op (zoete) basilicum (Ocimum basilicum). De eerste meldingen van het ziektebeeld stemmen uit Oeganda, waar men al in 1933 last kreeg van symptomen die lijken op een gebrek aan voedingsstoffen. De bladeren verliezen hun vitaliteit en krijgen gele verkleuringen. Aan de onderzijde van de bladeren ontstaat vervolgens wat paarsgrijze donsachtige schimmel[1]. De pseudoschimmel is zo potent dat enkele basilicumtelers een verliespercentage hebben gemeld van 100%. Geen enkele basilicumplant kon dus ontsnappen aan de Peronospora belbahrii.
Goed, dat men in 1933 in het Midden-Afrikaanse Oeganda ontdekte dat hun basilicum in de problemen kwam, betekent natuurlijk niet dat deze ziekte uit het 'niets' ontstond. Ook deze pseudoschimmel moet eerder een andere gastheer hebben gehad voordat hij zich te goed ging doen aan basilicum. Vervolgens rees de vraag hoe het kwam dat Peronospora belbahrii zich over de hele wereld kon verspreiden.

Wetenschappers geloven dat Peronospora belbahrii zich wel eens geëvoleerd kan hebben tot een meer agressieve stam. Dat betekent dat er ergens in het oerwoud een zwak broertje van deze pseudoschimmel moet leven. Dat kan, maar die is nog niet gevonden. Wel is duidelijk dat de pathogeen zich zowel via basilicumzaad kan verspreiden als via de lucht middels diens sporen. En uiteraard heeft men dat zaad op geen enkele manier ontsmet voordat men het de wereld overstuurde. Geef een exoot een kleine kans en hij zal deze met beide handen aangrijpen. Als hij handen had tenminste.
Meldingen van besmette basilicumplantjes begonnen langzaam, maar steeds vaker binnen te druppelen. Als eerste was Zwitserland in 2001 aan de beurt, gevolgd door Italië (2003), België en Frankrijk (2004). De Verenigde Staten waren in 2007 aan de beurt, terwijl het ziektebeeld ook in Nieuw-Zeeland, Zuid-Amerika, Israel en Zuid-Afrika is waargenomen. Ook in Nederland is Valse Meeldauw een aanzienlijk probleem.

Wat kunnen we er aan doen om dit probleem uit Nederland te bannen, zo is de vraag. Van de Nederlandse overheid hoeven we niets te verwachten, want de Voedsel en Warenautoriteit heeft in 2013 een Quickscan gedaan om het probleem in kaart te brengen. De eindconclusie was 'No specific measures' en dan snap je het wel. Om de kans op besmetting klein te houden moeten telers zo veel mogelijk luchten, een horizontale luchtstroming creeëren, zodanig beregenen dat de bladeren niet vochtig worden en ontsmet zaadmateriaal gebruiken.

Een andere optie is om basilicumsoorten te gaan telen die minder kwetsbaar zijn. De roodblad basilicum (Ocimum basilicum purpurascens) en de citroenbasilicum (Ocimum citridorum) zijn minder gevoelig, terwijl de Amerikaanse basilicum (Ocimum americanum) zelfs ongevoelig lijkt te zijn. De wilde basilicum is wel resistent en men is bezig die resistentie in de (zoete) basilicum in te bouwen[2].

[1] Cohen et al: Epidemiology of Basil Downy Mildew in Phytopathology - 2017
[2] Ben-Naim et al: Resistance Against Basil Downy Mildew in Ocimum Species in Phytopathology - 2015

Aardappel met meervoudige phytophthora-resistentie

De onder aardappelverbouwers zo gevreesde pseudoschimmel phytophthora infestans, veroorzaker van aardappelziekte, is van oorsprong afkomstig uit het hooglanden van centraal Mexico[1]. De aardappel en de pseudoschimmel zijn samen een aantal malen naar Europa overgebracht. Daarnaast zijn de zogenaamde mating types A1 en A2 elkaar ook nog eens tegengekomen en die zorgen voor lastig te bestrijden mutaties die ook nog eens beter bestand zijn tegen hogere temperaturen[2].
Het Nederlandse veredelingsbedrijf Solynta heeft mogelijk een revolutie voor de aardappelwereld in handen: een aardappel met een tweevoudige resistentie tegen phytophthora. De huidige weerbare rassen hebben een enkelvoudige resistentie ingebouwd. "Solynta gaat laten zien dat we snel een tweevoudige resistentie in kunnen bouwen," zegt Solynta-directeur Hein Kruyt. "Dat kunnen we uitbreiden naar drie, vier of zelfs meer resistenties."

Resistenties stapelen maakt plant weerbaarder. Dankzij de meervoudige bescherming blijven de rassen langer gevrijwaard van phytophthora. Bij twee resistenties is de aardappelplant niet twee keer zo weerbaar, maar tien keer zo weerbaar. Bij drie ingebouwde resistenties is dat getal wellicht 100[3].
Dankzij nieuwe veredelingstechnieken kan ook gemakkelijker op andere kenmerken worden geselecteerd, bijvoorbeeld smaak of verwerkingsgeschiktheid. Bij de klassieke veredeling is dit zeer lastig. Daarom houdt de sector vast aan rassen die goed bekend staan. Bijvoorbeeld het Bintje of de Agria, beide vatbare rassen.

Het geheim van de Wageningse veredelaar is volgens Kruyt dat het een stabiele ouderlijn heeft ontwikkeld. Hierdoor wordt het mogelijk om bepaalde kenmerken blijvend in te kruisen. "De genetische opbouw van een aardappel is heel complex. Daarom was het voorheen bijna onmogelijk om bij het kruisen een plant met de juiste eigenschappen te vinden." Over deze manier van veredelen werd lange tijd lacherig gedaan, maar wie het laatst lacht...

De meervoudig resistente aardappel is er een uit pootgoed. In de toekomst gebeurt dat wellicht uit zaad. Met die vernieuwing is Solynta al langer bezig. Volgens Kruyt kan over enkele jaren 25 gram zaad dezelfde oogst opleveren als 2.500 kilo pootgoed. Wordt dit werkelijkheid, dan verandert het de sector voor altijd.

[1] Goss et al: The Irish potato famine pathogen Phytophthora infestans originated in central Mexico rather than the Andes in PNAS – 2014
[2] Mariette et al: Local adaptation to temperature in populations and clonal lineages of the Irish potato famine pathogen Phytophthora infestans in Ecology and Evolution - 2016
[3] Suxian Zhu et al: Functional stacking of three resistance genes against Phytophthora infestans in potato in Transgenic Research - 2012

Kleine bruine plantspringer

Spoorcicaden (Delphacidae) vormen de grootste familie binnen de lantaarndragerachtigen (Fulgoromorpha) met circa 260 soorten in Europa. In Nederland worden met enige regelmaat nieuwe soorten waargenomen. De spoorcicadesoort (Laodelphax striatellus) was tot voor kort uit Nederland alleen bekend van enkele langvleugelige exemplaren. Hij werd daarom beschouwd als een zeldzame migrant uit het zuiden zonder permanente populaties in ons land. In 2016 werd echter in Oosterhout (Noord-Brabant) een populatie ontdekt met zowel larven als kort- en langvleugelige adulten (brachypters en macropters). Mogelijk zat deze populatie daar al enkele jaren.
Een onbekende spoorcicadesoort, die zich in ons land heeft gevestigd, heeft uiteraard ook een Nederlandse soortnaam nodig: in Engeland heet dit minimonster van circa 2 tot 4 millimeter small brown planthopper en dus lijkt mij 'kleine bruine plantspringer' wel een aanvaardbare naam.

De kleine bruine plantspringer is in Azië een belangrijk plaagdier en heeft het daar voornamelijk gemunt op rijstplantjes, maar deze spoorcicade is ook drager van enkele gevreesde plantenvirussen. Denk aan Rice stripe virus (RSV) of het Rice black streaked dwarf virus (RBSDV) die behoorlijk kunnen huishouden in rijstvelden. Tel daarbij op dat de kleine bruine plantspringer de plant ook nog aanprikt om plantensap te drinken, dan snap je wel dat hongersnood op de loer ligt.

Maar de kleine bruine plantspringer is niet kieskeurig en komt op een hele reeks grassoorten voor, inclusief een aantal graangewassen. In ons land is deze soort gevonden op handjesgras, een van oorsprong tropisch gras, dat meer dan een eeuw geleden in ons land geïntroduceerd is. De habitatpreferentie van kleine bruine plantspringer en handjesgras komt goed overeen met hun voorkeur voor zonnige plekken op zandgrond.

Bekend is dat de kleine bruine plantspringer niet aleen virussen op rijst kan overbrengen, maar ook op gewassen als haver, maïs en tarwe. In Europa is alleen de overdracht van Maize rough dwarf virus (MRDV) van economisch belang. Dit virus heeft intussen grote schade aangericht in maïsvelden in Zuid-Zwitserland, Griekenland en Noordoost-Spanje.

Gelet op het economische belang van maïs in ons land en de mogelijkheid dat kleine bruine plantspringer zich definitief in ons land vestigt, zou het aan te bevelen zijn om eventuele verdere uitbreiding van deze spoorcicade in ons land te volgen. Daarnaast zou het zinvol kunnen zijn Nederlandse exemplaren te testen op de aanwezigheid van het MRDV-virus.

Mocht u zich afvragen hoe het komt dat de kleine bruine plantspringer hier terecht is gekomen, verzin dan een zin waarin de woorden 'opwarming' en 'aarde' samen voorkomen.

Japanse mossel

Na de onnadenkende introductie van de Japanse oester (Crassostrea gigas) in onze nationale zeewateren mocht je misschien hopen dat het ergste achter de rug zou zijn. De Japanse oester echter verdringt nog steeds de platte oester (Ostrea edulis) en die laatste zit nu bijna in een verdomhoekje, een niche zoals biologen zeggen.

Dan hebben we de inheemse gewone mossel (Mytilus edulis), die het al lastig genoeg heeft met exoten als de Driehoeksmossel (Dreissena polymorpha), Aziatische korfmossel (Corbicula fluminea), Amerikaanse boormossel (Petricolaria pholadiformisen) en nog wat andere verwante lastpakken. Er ligt echter nog een exoot op de loer die onze inheemse mossel het leven verder zuur kan maken, de Japanse mossel (Arcuatula senhousia).
In het ballastwater van een drietal schepen in de Eemshaven en de haven van Delfzijl zijn recent namelijk sporen van diverse uitheemse organismen aangetroffen[1]. Zes soorten waren nog niet eerder in Nederlandse wateren waargenomen, daaronder de Japanse mossel. Deze soort heeft zich vanuit de Stille Oceaan over de hele wereld verspreid met vaak negatieve gevolgen voor het lokale ecosysteem.

De Japanse mossel is een kleine tweekleppige die van oorsprong langs de kusten van Siberië tot aan Singapore voorkomt. Hij wordt maar zo’n twee jaar oud, maar kan zich snel vermenigvuldigen als hij zich eenmaal ergens heeft gevestigd. Het dier vormt een dichte laag van byssusdraden om zijn schelp heen die met de draden van soortgenoten vervlochten kunnen raken. Zo kunnen zich dichte matten vormen. De Japanse mossel heeft een voorkeur voor een zachte ondergrond. Hij leeft vooral in het getijdengebied tussen de hoog- en laagwaterlijn, maar is ook wel waargenomen op permanent onder water gelegen bodems tot 20 meter diepte.

De Japanse mossel heeft een brede zout- en temperatuurtolerantie en kan daardoor eenvoudig in nieuwe omgevingen aarden. Vanuit zijn oorspronkelijke verspreidingsgebied is de soort geïntroduceerd in Australië, Nieuw-Zeeland, de Verenigde Staten en het Middellandse Zeegebied. Via het ballastwater van schepen of als aangroei van scheepswanden is hij vermoedelijk in Australië en Nieuw-Zeeland terecht gekomen. Bij de introductie in het Middellandse Zeegebied speelde de kweek van de Japanse oester mogelijk een rol. Ook bij de introductie langs de westkust van de Verenigde Staten, is de Japanse mossel waarschijnlijk meegelift bij de import van deze oestersoort.

Wetenschappers van Wageningen Marine Research (WMR) vrezen dat de Japanse mossel, als hij de wadplaten van de Waddenzee koloniseert, ook hier de groei en het herstel van het zeegras verhindert. En dat terwijl er juist programma’s lopen voor het herstel van zeegras in de Waddenzee. Of de Japanse mossel al aanwezig is, vraagt nader onderzoek. In het ballastwater van de door WMR onderzochte schepen werd DNA van de soort aangetroffen. Als dit van eieren of larven is, dan kan de soort hebben overleefd en zich in Nederland hebben gevestigd.

Het rapport van Wageningen Marine Research verzucht nog hoopvol 'The species is not yet reported in the Wadden Sea or North sea region'. Not yet.

[1] Slijkerman et al: Monitoring Groningen Sea Ports: Non-indigenous species and risks from ballast water in Eemshaven and Delfzijl - 2017. Zie hier.

(Amerikaanse) stierslang

Soms zijn exoten aaibaar of soms staan ze fleurig in je tuin en dan vindt eigenlijk niemand het een groot probeem. Toch is het beslist geen goed idee om exoten hier te introduceren omdat ze vaak inheemse soorten verdrijven. Maar het is pas echt een probleem als onfortuinlijke gefortuneerde golfers een exotische wurgslang op hun kortgemaaide gazons aantreffen.
De (Amerikaanse) stierslang (Pituophis melanoleucus) is een niet-giftige wurgslang die het voornamelijk gemunt heeft op kleine zoogdieren (ratten, muizen, mollen, etc) en eieren. De kleur van deze slang varieert van effen zwart of effen wit tot roomwit of geelachtig met onregelmatige zwarte of donkerbruine vlekken op rug en flanken. Het interesseert echter niemand welke kleur dit exotische monster heeft. Waar het om gaat is de vraag hoe lang zo'n beest kan worden en het antwoord is niet vertrouwenwekkend: de krachtige stierslang kan tot tweeënhalve meter (250 centimeter) lang worden.

In zijn thuisland bewoont de stierslang vrijwel de hele westkust van de Verenigde Staten. Hij houdt van dennenbossen (die hebben wij ook), loofbossen (ook), weilanden en akkers (ook) en rotsige woestijnlandschappen (pfoei, niet). Hij houdt van zanderige bodems met weinig vegetatie en laat de duinen bij Wassenaar nu de perfecte habitat voor de stierslang zijn.

Al een paar jaar lang wordt er regelmatig een waarneming gedaan van een stierslang in die regio. Er leeft waarschijnlijk een grote populatie Amerikaanse stierslangen in de duinen en de bossen langs de Zuid-Hollandse kust. Recent is er zo'n wurgslang van meer dan een meter lang aangetroffen op een golfbaan in Wassenaar. Alleen op het terrein van de Wassenaarse Golf- en Countryclub hebben ze er binnen ongeveer een maand al drie gevonden. 'En in Lisse is er laatst een dood gereden,' zo meldt Walter Getreuer van Reptielenzoo Serpo.

Grote vraag is natuurlijk hoe het mogelijk is dat een slangensoort, die van nature leeft in de Verenigde Staten in Zuid-Holland terecht is gekomen. De vraag stellen is hem eigenlijk al beantwoorden want een hersenloze idioot heeft ongetwijfeld ooit een aantal slangen uitgezet of misschien zelfs een nest met eieren in het bos gedumpt. De Wassenaarse natuur is een prima leefgebied voor deze soort. Het is namelijk een waterwingebied en de leefomstandigheden zijn hier goed genoeg voor de stierslang.

'We hebben zelfs een keer een slang aangetroffen die eieren droeg. Dat zegt wel iets', legt Walter Getreuer uit. 'Dat betekent in elk geval dat het dier goed gezond was en het lijkt er dus op dat ze zich voortplanten'. Dat laatste is misschien goed nieuws voor een slangenliefhebber, maar de laatste keer dat ik de statistieken bekeek, waren deze behoorlijk in de minderheid.

Hoe komen we van deze lastige exoot af? Misschien moeten we een slangensafari organiseren om ze uit ons land te verbannen.

Senegalpapagaai

Soms ben je als exoot wel heel erg in de aap gelogeerd. Dat is duidelijk het geval met de Senegalpapagaai (Poicephalus senegalus).
We beginnen bij het begin. De Senegalpapagaai is inderdaad een papagaai-achtige die in grote delen van West-Afrika broedt. Deze soort migreert niet van koude streken naar warme streken (zoals veel van onze trekvogels), maar volgt zo'n beetje het beschikbare voedsel. Als het ene op is, rijpt het andere en dus maakt de Senegalpapagaai een soort toeristische rondreis door West-Afrika.

De Senegalpapagaai meet ongeveer 25 centimeter van snavel to staart. Ze zijn in het bezit van een behoorlijke snavel. Het verenkleed loopt van een grijze kop, een groene rug en keel tot een gele onderzijde. Je snapt dat het dus een aantrekkelijke vogel is die liefhebbers graag in een kooi willen hebben. Niemand heeft natuurlijk ooit de mening van de Senegalpapagaai zelf gevraagd, maar ik vermoed dat – als ze de keus hadden – toch liever van hun vrijheid willen genieten. Want geen enkele gevederde en ongevederde vogel (man en vrouw) wil gevangen zitten in een (denkbeeldige) kooi.

En dus vraag je je af hoe het komt dat er al jarenlang meldingen uit de stad Groningen komen van een Senegalpapagaai. Hij woont al zo’n 20 jaar in het Noorderplantsoen. Het beest is kennelijk ooit ontsnapt uit gevangenschap en de meeste Groningers denken dat het een leuke verschijning is. Ikzelf heb het gevoel dat deze vogel helemaal niet zo gelukkig is. Eenzaam in een koud onbekend land rondvliegen en je voeden met zaden, fruit en bloesem die niet lekker smaken. Wat deze Senegalpapagaai doet is niet meer dan overleven totdat de dood hem uit zijn lijden verlost.

In de stad Groningen is deze exoot al zo bekend dat men hem de Nederlandse soortnaam Bonte boertje heeft gegeven, vanwege zijn uitbundige verenpracht. Sommigen noemen hem zelfs Randy, maar dat is een naam om te pesten: zonder metgezel heeft het geen zin om randy ('hitsig') te zijn.

De eerste melding van het dier in Groningen wordt voorjaar 1998 gedaan, toen een Stadjer de groene, gele en grijze papegaai hoorde krijsen op het Zernike-complex. Een jaar later lijkt de papegaai neergestreken in het Noorderplantsoen, het 20 hectare grote monumentale park aan de rand van het Groninger stadscentrum. Hij doet zich daar nog steeds tegoed aan zaden in bomen, maar is ook niet vies van een appeltje of een klokhuis.

Buurtbewoners vertellen dat het om een mannetje gaat. Een eenzaam mannetje, dat regelmatig vergeefs roept in de hoop een vrouwtje te verschalken. Bij gebrek aan soortgenoten vergrijpt de papegaai zich regelmatig aan een tak. "Als hij masturbeert, wrijft hij zijn achterste over een tak", zegt een buurtbewoner. "Enkele jaren geleden had hij een paar maanden gezelschap van een halsbandparkiet, maar die is allang verdwenen."

Het is zeker niet leuk om een exoot te zijn in een koud land. En dan ook nog die stugge Groningers.

[Verboden] Oranje petunia

De tuinpetunia (Petunia axillaris) heeft van oorsprong witte bloemen. Zijn uiterst zeldzame broertje de rode petunia (Petunia exserta) heeft rode bloemen. Recent verschenen plotseling oranje petunia's in de handel en dat was vreemd.
Sommige kenners menen dat deze oranje kleur alleen verkregen kan worden door genetische manipulatie. Op zich geen probleem, maar genetisch gemodificeerde planten mogen alleen op de Europese markt gezet worden, nadat deze aan een specifieke toelatingsprocedure zijn onderworpen. En dat is in dit geval niet gebeurd. Er is dan ook geen autorisatie voor het importeren, kweken of vermarkten van dergelijke soorten binnen de EU lidstaten.

Uit analyses van Evira, de Finse voedsel- en warenautoriteit, bleek een partij petuniazaad (African Sunset) en acht reeds bij kwekers geplante variëteiten genetische gemodificeerd te zijn. Mogelijk, zo denk men, is de oranje kleur verkregen door invoeging van een gen afkomstig uit maïs. Het betreft de rassen Pegasus Orange Morn, Pegasus Orange, Pegasus Table Orange, Potunia Plus Papay, Go! Tunia Orange, Bonnie Orange, Sanguna Patio Salmon en Sanguna Salmon.

Evira heeft besloten de verkoop van zaadjes en stekjes van een oranje petunia een halt toe te roepen. Ten gevolge van dit besluit zullen de planten en het zaad worden vernietigd en reeds uitgeleverde planten bedoeld voor vermeerdering worden teruggeroepen. De genetisch gemodificeerde petunia’s vormen geen gevaar voor mens of milieu.

Maar, zo is natuurlijk de vraag, waar kwamen die oranje petunia's vandaan. De zaadjes en het uitgangsmateriaal van de petunia is in Finland geïmporteerd vanuit Duitsland en Nederland.
[Petunia Night Sky]
Toch geloven sommigen dat de oranje petunia zelfs via natuurlijke weg gekruist kon worden, omdat met deze soort middels conventionele methoden al zo veel kleuren en vormen zijn te creëren. Kijk maar naar de petunia Night Sky: een nieuw kleurenpatroon dat op de conventionele manier verkregen is.

Bergcentaurie

Ik moet eerlijk toegeven dat de bergcentaurie (Centaurea montana) aantrekkelijk genoeg uitziet om hem in je voortuin te willen hebben. Met een naam als bergcentaurie snapt iedereen dat bergachtige gebieden ooit zijn domein moet zijn geweest. Dat klopt, want deze soort is inheems in de zuidelijke Europese bergen. Als we iets specifieker willen zijn, dan kunnen we melden dat hij daar groeit in weilanden en open bossen, waar de zon vrij spel heeft. De plant zelf kan een hoogte bereiken van zo'n 70 centimeter. De bergcentaurie bloeit van mei tot augustus met prachtige lila tot paarse bloemen.
[Foto: Bauke Koster]

Zoals gezegd is de bergcentaurie aan leuke plant om in je tuin aan te planten, maar tegelijkertijd bestaat de mogelijkheid dat ook deze soort zal pogen te ontsnappen. Geen wonder dus dat we deze plant steeds vaker op plekken aantreffen waar hij nimmer is aangeplant. Sommige tuineigenaren zullen zich achter de oren krabben wanneer ze onverwacht een exemplaar in hun tuin aantreffen. Natuurlijk is het een leuke plant, maar toch kan ik me voorstellen dat niet iedereen zo'n dwaalgast in zijn keurig aangelegde perkje wil hebben en houden.

De bergcentaurie heeft de vervelende neiging om ecosystemen te domineren indien de voorwaarden daartoe goed genoeg zijn. Veel familieleden van deze soort zijn – vooral in Noord-Amerika – zo in aantal uitgebreid dat men ze als invasieve soort zijn gaan beschouwen. Het lastige is ook dat, als je hem uitgraaft, er maar een klein stukje wortel hoeft achter te blijven en de plant begint zijn leven gewoon weer opnieuw.

In Midden- en Zuid-Europa werd de bergcentaurie ooit ingezet voor diens medicinale eigenschappen. Een extract zou een middel zijn om vermoeide ogen tot rust te brengen. Uiteraard meende men dat het grootste positieve effect te behalen was bij blauwe ogen, een overblijfsel van de Middeleeuwse signaturenleer. De gedroogde bloemen zouden hoesten tegengaan, ietwat vochtafdrijvend zijn en een milde zuiverende werking hebben. Ook zou spoelen kunnen helpen tegen bloedend tandvlees en druppelen zou weer helpen bij een ontstoken slijmvlies (of bindvlies) van het oog (conjunctivitis). Het probleem is echter dat de werking nooit wetenschappelijk onderzocht is. Het is dus een kwestie van geloof en hopen op een goede afloop.

Tenzij je in homeopatie gelooft, dan geloof je álles.

Rode worm van oesters

Soorten die geïntroduceerd worden in een ecosysteem kunnen indirect gevolgen met zich meebrengen voor de inheemse fauna. Zo heeft de Japanse oester (Crassostrea gigas) met zijn introductie een parasiet met zich meegebracht: de rode worm van oesters (Mytilicola orientalis). Jawel dit is internationaal gezien zijn geaccepteerde naam. Zijn broertje heet (vertaald) de rode worm van mosselen (Mytilicola intestinalis). Die naamgeving lijkt verhelderend, maar de rode worm van oesters is tegenwoordig ook te vinden in mosselen, kokkels en nonnetjes.
De Japanse oester is misschien wel de meest bekende exotische soort in de Waddenzee. Deze oestersoort is geïntroduceerd vanuit Oost-Azië en is via West-Canada voor de commerciële kweek in Nederland terechtgekomen[1]. Maar tegelijkertijd is de rode worm van oesters, een parasitair roeipootkreeftje, meegelift. In het Zeeuwse Deltagebied is de parasiet al in de jaren ’90 van de vorige eeuw waargenomen, maar waarnemingen in de Waddenzee bleven uit tot 2011. Deze soort is inheems in het noordwestelijk deel van de Stille Oceaan. Dit mini-monster is een roeipootkreeftje buiten de weekdieren en vermomd zich als een worm in de weekdieren.

Recent hebben onderzoekers van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) gekeken of deze parasiet ook leeft in andere weekdieren. Onderzoeksmonsters zijn genomen op mossel- en oesterbanken rondom Texel, bij het Duitse Waddeneiland Sylt en in en nabij de Oosterschelde. In totaal hebben de onderzoekers 3416 individuele dieren van elf verschillende weekdiersoorten onderzocht op aanwezigheid van parasieten. Ze troffen ze niet alleen aan in Japanse oesters (18,9% van alle individuen had de parasiet) en mossels (31,3%), maar ook in kokkels (3,3%) en nonnetjes (0,4%). Ze bleken geheel afwezig in muiltjes, strandgapers, Amerikaanse zwaardschedes, platte slijkgapers, alikruiken, platte oesters en tapijtschelpen[2].

De onderzoekers vroegen zich af of de Japanse oester een host zou kunnen zijn van een al eerder geïntroduceerde parasiet, de rode worm van mosselen. Deze parasiet, die nauw verwant is aan de rode worm van oesters, heeft in de jaren vijftig en zestig in de Noordzee gezorgd voor massale sterfte van mossels. Deze soort werd echter bij het onderzoek niet meer gevonden in Japanse oesters noch in andere schelpdiersoorten dan de mossel. Die soort is óf verdreven door de rode worm van oesters óf de weekdieren hebben hun afweer aangepast.

Of de rode worm van oesters ook tot massale sterfte zou kunnen leiden, is nog onbekend. Maar dat de parasiet zich uitgebreid heeft onder meerdere inheemse soorten, maakt het aannemelijk dat er effecten op het ecosysteem zijn. Welke dat precies zijn, is onderwerp van vervolgonderzoek.

[1] Goedknegt et al: Spillover but no spillback of two invasive parasitic copepods from invasive Pacific oysters (Crassostrea gigas) to native bivalve hosts in Biological Invasions - 2017
[2] Goater, Weber: Factors affecting the distribution and abundance of Mytilicola orientalis (Copepoda) in the mussel, Mytilus trossulus, in Barkley Sound, B.C. in Journal of Shellfish Research - 1996

Verhoogd risico op aardappelmoeheid

In de Nederlandse zetmeelaardappelgebieden grijpt Globodera pallida (Pa), een van de veroorzakers van aardappelmoeheid, weer snel om zich heen. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) waarschuwt hier voor een toegenomen virulentie.

Onderzoek heeft Pallida-populaties in beeld gebracht die zich sterk vermeerderen op resistente rassen. De oorzaak van deze ongewone vermeerdering is uitselectie van meer virulente nematoden. De uitselectie vindt plaats bij veelvuldig gebruik van resistente rassen, wat betekent dat de nematode zodanig muteert dat hij toch de resistentie kan verbreken. Door de toename van de virulentie lopen aardappeltelers het risico dat aardappelrassen, die nu nog resistent zijn tegen aardappelmoeheid, toch door de plantenziekte worden getroffen.
De toegenomen virulentie heeft voor getroffen telers grote gevolgen voor de beheersing van aardappelmoeheid. Het is van groot belang om de percelen vrij te houden van een virulentere populatie. Wanneer de toegenomen virulentie aanwezig is, zijn alleen zeer ingrijpende maatregelen zoals inunderen geschikt om van een besmetting af te komen.

Verspreiding van virulente populaties moet worden tegengegaan, bijvoorbeeld door apparatuur goed schoon te maken bij wisseling van percelen. Ook voor telers buiten het zetmeelaardappelgebied is extra waakzaamheid geboden. Voor hen is het belangrijk dat zij voorkomen dat aanhangende grond uit het zetmeelaardappelgebied op andere percelen terecht kan komen.

De NVWA verwacht dat het nog wel een aantal jaren kan duren totdat er aardappelrassen ontwikkeld zijn die ook tegen de toegenomen virulentie bestand zijn.

Chinese vijvermossel

De Chinese vijvermossel (Sinanodonta woodiana) is een behoorlijk groot tweekleppig weekdier. Zijn schelp kan een doorsnede bereiken van wel 30 centimeter. De hoogte is ongeveer gelijk aan de breedte, ze hebben een dikke gezwollen top en een afgeronde onderzijde. Van oorsprong komt de Chinese vijvermossel uit oostelijk Azië, maar werd door menselijke activiteiten een wereldwijd probleem. Intussen is deze exoot al in 21 Europese landen aangetroffen en ik vrees dat het niet zo lang gaat duren voordat Nederland aan die serie landen wordt toegevoegd.

Deze mosselsoort bereikte Europa via een aantal routes. Eentje daarvan was de invoer en het uitzetten van Aziatische vissoorten ten behoeve van de sportvisserij of ter bestrijding van veelal exotische waterplanten. Die verplaatsing vond en vindt niet alleen plaats via het kweekwater van de ingevoerde vissoorten, maar de larven van zoetwatermossels kunnen zich ook vasthechten aan de kieuwen en vinnen van – vooral – Chinese graskarpers en op die manier ongemerkt meeliften. Zelfs nu nog wordt dit weekdier door middel van visuitzettingen verspreid naar geïsoleerde riviersystemen, vijvers en meren. De Chinese Vijvermossel wordt ook nog steeds aangeboden in aquariumspeciaalzaken en tuincentra.

Het dier bewoont dezelfde soorten habitat als onze inheemse zoetwatermossels. Het is een groot dier, waardoor het een concurrent zal worden voor zowel ruimte als voedsel. De soort is bovendien beter bestand tegen vervuiling, slib en lage zuurstofgehaltes. De soort kan twee tot drie keer per jaar tot voortplanting komen, terwijl de inheemse soorten jaarlijks slechts één keer larven zullen produceren.

Dat is zeker geen goed nieuws. Roemenië was het eerste land waar de Chinese vijvermossel in 1979 opdook, maar al snel andere landen (Spanje en Frankrijk in 1982, Hongarije in 1984, Italië in 2003). In België werd hij voor het eerst in 1999 waargenomen. De waarnemingen bleven de eerste jaren beperkt tot locaties in Belgisch Limburg en Brabant, maar begin 2017 was het dan toch raak: de eerste waarneming in Oost-Vlaanderen.

Ga er maar van uit dat de Chinese vijvermossel binnenkort ook in Nederland zal opduiken. Zitten er mogelijk nog voordelen aan deze exoot? Hij wordt in zijn thuislanden ook gebruikt voor de produceren van parels. Dat zijn weliswaar echte parels, maar toch zijn ze commercieel niet interessant. Toch is dat beter dan niets. Bovendien is hij zeer smakelijk en in China bestaan er behoorlijk wat smakelijke recepten voor deze mosselsoort.

Ovaalronde krab

Op 10 januari 2017 vond Hylkje Voulon op het Noordzeestrand van Ameland een onbekende krab. Het dier bleek nog niet zo heel lang dood te zijn en dus moest deze krab levend aangespoeld zijn. Het probleem was dat het een voor Nederland onbekende soort bleek te zijn.
[Foto: Hylkje Voulon]

Al op het strand werden foto's gemaakt en de krab werd meegenomen en op alcohol gezet. Al snel bleek dat het om een soort uit de familie Atelecyclidae ging. Er kwamen twee soorten in aanmerking. Eén daarvan, de cirkelronde krab (Atelecyclus rotundatus), staat beschreven in 'De krabben van Nederland en België' en leeft in het Nederlandse en Belgische deel van de Noordzee, zij het schaars en verder van de kust. Aanvankelijk dacht men dat het om een exemplaar van deze soort moest gaan, maar met name de vorm van het schild kwam niet honderd procent overeen.

Pas na overleg met strandwachters en experts werd duidelijk om welke soort het ging. De Amelandse krab bleek de nauw aan de cirkelronde krab verwante soort Atelecyclus undecimdentatus te zijn. Deze mag vanaf nu ook op de lijst van Nederlandse soorten worden bijgeschreven.

In navolging van de Nederlandse naam voor Atelecyclidae rotundatus (cirkelronde krab) ligt het voor de hand als Nederlandse naam 'ovaalronde krab' te gebruiken. De soort wordt ietsjes groter dan de cirkelronde krab: in de literatuur wordt als diameter van de carapax (het rugschild) van de cirkelronde krab maximaal 40 millimeter opgegeven, met voor het schild een lengte-breedteverhouding van gemiddeld 0,98 (bijna rond dus). Voor ovaalronde krab geldt een gemiddelde lengte-breedteverhouding van 0,83 en is dus iets ovaler van vorm. Het exemplaar, dat op Ameland werd gevonden, had een breedte van 62 millimeter en een lengte van 48 millimeter, dus een lengte-breedteverhouding van 0,77.

De zuidelijke grens van de soort ligt in het water van de Atlantische Oceaan van West-Afrika. De soort heeft zich door de opwarming van de aarde waarschijnlijk steeds verder noordwaarts uitgebreid en zijn verspreidingsgebied reikte eerder al tot het Franse schiereiland Bretagne en het water van het Kanaal.

Al eerder spoelden er op de Nederlandse en Belgische kusten cirkelronde krabben aan, maar nu men zijn ovaalronde broertje heeft gedetermineerd is men aan het twijfelen geslagen: zouden die eerdere waarnemingen misschien ook al ovaalronde krabben geweest zijn?

Ook van de Waddenzee is bekend dat die opwarmt. Hierdoor trekken koudminnende soorten, zoals schol, meer noordwaarts, de Waddenzee uit. Andere soorten zoals zeebaars, griet, smelt en garnalen hebben weer profijt van de opwarming. En schelpdieren zoals het muiltje zijn meer voorkomend dan vroeger.