Oranje poriezwam

Ik geef direct toe dat de oranje poriezwam (Favolaschia calocera) nog geen officiële naam heeft. Die eer komt de ontdekker in het Nederlands taalgebied toe en dat is Rudy Claeys, een Belg die hem in 2019 in Vlaanderen ontdekte. Rudy Claeys stelt voor om de soort als 'Oranje poriezwam' te benoemen. Eens per jaar buigt de Commissie voor Nederlandse namen van paddenstoelen (CNN) zich over alle voorstellen en zal Claeys' voorstel vermoedelijk probleemloos worden aangenomen.
Oranje poriezwam is een klein maar opvallend oranje zwammetje met een diameter van een drietal centimeters. De vorm van de zwam doet denken aan een miniatuur tafeltennisbatje. Deze soort heeft een korte zijdelings gesteelde hoed die aan de ene kant bezet is met lobben en aan de andere kant met wijde poriën.

Deze soort werd voor het eerst 1933 waargenomen op Madagascar, het eiland in de Indische Oceaan, ten westen van zuidelijk Afrika. Maar waar hij zijn officiële en originele domein heeft is onbekend, want intussen is de soort ook bekend in Nieuw-Zeeland, Italië, Australië, Hawaïi, Thailand, China, Kenia, Réunion (ook Indische Oceaan), Spanje, Portugal, Groot-Brittannië en België. Na een aantal waarnemingen in het Noord-Hollandse Dijkgatbos kan vanaf november 2020 ook Nederland aan die lijst worden toegevoegd.

De oranje poriezwam leeft op dood hout en plantenresten. Onderzoekers hebben vastgesteld dat de oranje poriezwam op wel 50 verschillende soorten bomen en planten te vinden is. Hij is dus niet kieskeurig en dat is altijd een voordeel. De soort heeft zich mede daardoor snel over de wereld weten te verspreiden. Ze vormt bovendien klonen (genetisch identieke kopieën) en verspreidt zich dus zonder geslachtelijke voortplanting (uit één enkele spore kan al een zwam groeien). Vermoedelijk doet deze zwam ook aan biologische oorlogsvoering en produceert hij stofjes die andere zwammen verhinderen om op dezelfde ondergrond te groeien. Hierdoor vertoont deze exoot een invasief karakter.

De eerste Europese vondst was in Genua (Italië) in 1999. Daar werd de soort gespot op rottende varens en loof- en naaldbomen. In Engeland werd de soort voor het eerst waargenomen in 2012 en wordt ze voornamelijk gespot op vlier, gewone esdoorn en beuk.

Omdat de eerste vindplaatsen zich steeds in de buurt van havens bevonden, werpen kenners de vraag op of deze nieuwe soort zich wellicht zo snel in West-Europa kan verspreiden door intercontinentale houthandel? Of moeten we met een beschuldigende vinger wijzen naar de opwarming van de aarde?

Bron.

Zure kers (of Morel of Kriek)

De zure kers (Prunus cerasus) staat in Nederland boven de grote rivieren bekend als morel, terwijl men hem in België en zuidelijk Nederland kriek noemt. 

Het is vermoedelijk een natuurlijke kruising tussen twee andere kersensoorten, de zoete kers (Prunus avium) en de dwergkers (Prunus fruticosa). Beide soorten komen voor van Zuidoost-Europa tot Iran en dat betekent dat we kunnen aannemen dat de zure kers daar ooit is ontstaan.

[Image: böhringer friedrich]

Deze kersensoort komt voor als een kleine boom of grote struik en zal maximaal een hoogte kunnen bereiken van een meter of tien. In ons land wordt de zure kers wel aangeplant in tuinen en natuurlijk ten behoeve van bier en bakkerij-ingrediënten. Met een naam als zure kers zal het de lezer niet verbazen dat het fruit een stuk zuurder is dan die van de (zoete) kers.

Zure kersen werden al rond 300 vChr door de Oude Grieken zo gewaardeerd dat ze de bomen veelvuldig in hun land aanplantten. Die waardering voor de zure kers werd later gedeeld door de Romeinen en die namen zelfs stekjes mee naar de door hen veroverde gebieden. Bekend is dat de zure kers lang voor het jaar 100 AD in Engeland was aangekomen.

Het Belgische kriekenbier is intussen ook in Nederland populair als verfrissende zomerse drank. Ook is het mogelijk om van die kersensoort een heerlijke friszoete wijn te maken

Biologen stellen ons gerust: de zure kers verwildert niet zo gemakkelijk in Nederland en dus hoeven we ons geen zorgen te maken. Dat is een vreemde constatering, want het aantal waarnemingen lijkt toch ieder jaar wat toe te nemen.

De zure kers wordt de laatste tijd echter ook met een meer wetenschappelijk oog bekeken. Er zijn namelijk aanwijzingen dat het drinken van het sap van de zure kers een effectieve manier kan zijn om slapeloosheid tegen te gaan en de uren slaap te verhogen. De reden daarvan is dat zure kersen van nature rijk zijn aan melatoninen, een van de belangrijkste hormonen die verantwoordelijk is voor het inslapen.

Bovendien bevatten zure kersen een behoorlijke hoeveelheid tryptofaan, een α-aminozuur, dat weer een uitgangsstof is voor de aanmaak van melatonine.

Onderzoek toont aan dat suppletie met zuur kersensap het melatoninegehalte verhoogt en zowel de kwaliteit als de duur van de slaap verbetert[1]. In een ander onderzoek dronken deelnemers, die aan slapeloosheid leden, elke dag gedurende twee weken ofwel 240 ml zuur kersensap ofwel dezelfde hoeveelheid placebo-sap. Het kersensap verlengde de slaaptijd met gemiddeld 84 minuten[2].

Interessant is dat zuur kersensap net zo effectief, zo niet effectiever lijkt te zijn bij het verminderen van slapeloosheid dan valeriaan en melatonine, twee andere bekende natuurlijke producten voor slapeloosheid[3].

[1] Howatson et al: Effect of tart cherry juice (Prunus cerasus) on melatonin levels and enhanced sleep quality in European Journal of Nutrition – 2012
[2] Losso et al: Pilot Study of the Tart Cherry Juice for the Treatment of Insomnia and Investigation of Mechanisms in American Journal of Therapeutics – 2018
[3] Pigeon et al: Effects of a tart cherry juice beverage on the sleep of older adults with insomnia: a pilot study in Journal of Medicinal Food – 2010

Herfstalsem

Het mag geen verbazing wekken hoe de herfstalsem (Artemisia verlotiorum) aan haar Nederlandse naam is gekomen: hij bloeit namelijk van laat in de zomer tot diep in de herfst en zijn opmars is geen goed nieuws voor patiënten die allergisch zijn voor pollen. Een alternatieve benaming is de Chinese bijvoet en die naam geeft duidelijk aan dat deze soort hier een exoot is.
[Foto: SoortenBank.nl]

Een broertje van de herfstalsem, de alsemambrosia (Ambrosia artemisiifolia) staat bekend als de 'hooikoortsplant' en die soort heeft de gewoonte om al vroeg in het voorjaar zijn pollen de wijde wereld in te laten stuiven. Als je dus als hooikoortspatiënt denkt dat de grootste problemen eindelijk voorbij zijn stuurt de herfstalsem je plannen weer danig in de war.

De herfstalsem lijkt sprekend op de bijvoet (Artemisia vulgaris), maar hij is getooid met ietwat rossiger bloemen en lansvormige bladeren. Hij geurt een stuk aangenamer dan de nauwelijks geurende bijvoet, al kun je je afvragen of zoiets als voordeel benoemd hoort te worden. Omdat de herstalsem in Europa in principe geen vruchten produceert, plant hij zich uitsluitend voort door uitlopers en vormt daardoor dikke groepen.

De herfstalsem werd in 2004 voor het eerst in Nederland op een braakliggend terreintje in het centrum van Rotterdam waargenomen. De soort is in Nederland nog steeds zeldzaam, maar breidt zich voornamelijk uit in het stedelijk gebied. In de rest van het land is de herfstalsem echter ook al waargenomen. Een eerste melding op Schiermonnikoog betekent dat deze soort het uiterste noorden van het land ook al heeft bereikt.

De herfstalsem is een plant van pioniervegetaties en voedselrijke ruigten. Denk aan klei- en zandgrond in droge sloten, rommelige bermen, taluds, tuinen, geveltuintjes, plantsoenen, havengebieden, braakliggende terreinen, bouwterreinen, grondhopen, vuilstortplaatsen en omgewerkte grond.

Lang is de herfstalsem verward met de bijvoet. Pas in 1877 ontdekte Jean Baptiste Verlot (1816 -1891), een Franse botanicus dat het twee verschillende soorten betroffen. De wetenschappelijke soortnaam verlotiorum eert Verlot voor zijn presatie.

Pruikenboom

We weten waar de pruikenboom (Cotinus coggygria) voor het eerst zijn wortels in de grond plantte, want er zijn fossielen gevonden in westelijk Georgië, ten zuiden van Rusland in de Kaukasus. Die fossielen stammen uit het vroege Plioceen en dat tijdperk besloeg een periode van circa 3.6 tot 2.6 miljoen jaar geleden. Met andere woorden: de pruikenboom gaat al een tijdje mee.
De pruikenboom vormt grote struik die, als hij zijn best doet, in zeldzame gevallen kan opgroeien tot de boom van een meter of zeven hoog. De druppelvormige bladeren zijn wasachtig glad en blauwachtig groen van kleur en die in de herfst prachtig verkleuren met tinten van geel, perzik, rood en violet. Deze soort bloeit met talrijke bloemen met vijf geelroze tot paarsroze pluimen, wat natuurlijk de oorsprong van de Nederlandse naam is.

In Engelstalige landen wordt deze soort ook wel de Venetian sumach of or dyer's sumach genoemd. De pruikenboom is inderdaad een naast familielid van de sumak (Rhus coriaria), waarvan de gedroogde en daarna grof gemalen friszuur smakende purperrode besjes in gebruik zijn als specerij. De benaming Venetian sumach verklaart de uiterst belangrijke positie die Venetië in de Middeleeuwen had als doorvoerhaven van allerlei handelswaar uit de Levant. Vanuit die stad werden specerijen verder Europa ingevoerd. Met de naam Dyer's sumach werd aangeduid dat de pruikenboom ooit ook in gebruik was als een kleurstof voor het inkleuren van zijde en wol. Daarvoor werd het hout van stam en bladhoudende takken ingezet. De kleur die de pruikenboom opleverde was geel met de rossige tint. Het probleem was dat deze kleurstof zich wat te eenvoudig liet wegwassen bij het uitwassen van de kledingstukken, waardoor de kleurstof veelal met andere plantaardige gele kleuren werd gemengd.

Werd de pruikenboom ook in ons land voor dat doel gebruikt? We zullen het nooit weten, maar dat is ook niet de reden dat hij ons land wordt aangetroffen. Daarvoor moeten we vooral de zo decoratieve pluimen en verkleurende bladeren de schuld geven. Hij is daardoor zelfs zo populair geworden dat diverse prijswinnende cultivars zijn ontwikkeld met bladeren die verkleuren tot oudroze, geel, paars, rood of oranjerood. De natuur laat zich weer ringeloren om zich in onze ogen nog mooier te maken dan ze van nature al is.

Voor straf ontsnapt de pruikenboom af en toe aan onze aandacht en besluit om zijn vrijheid weer te hervinden. Daarom treffen we deze exotische soort soms weer in het wild aan. Eenzaam en alleen, maar wel in de vrije natuur.

NVWA waarschuwt voor pakketten met onbekende plantenzaden

De NVWA waarschuwt voor postpakketjes met onbekende plantenzaden. Deze maand heeft de NVWA samen met de Douane dergelijke pakketjes op Schiphol aangetroffen. NVWA vraagt het publiek het te melden wanneer ze ongevraagd een pakket met plantenzaden ontvangen. 

De pakketjes zijn afkomstig uit China en zijn een vorm van bioterrorisme ofwel botanisch terrorisme. Ik vermoed dat men hoopt dat ontvangers de zaden planten, omdat ze nieuwsgierig genoeg zijn om te willen weten welke planten op zullen komen. Tegelijkertijd sluipen nieuwe exotische planten ons land binnen met mogelijk exotische plantenziekten.

Vooral in de VS en andere Engelstalige landen doken de pakketjes op. Kenners hebben in ieder geval 14 verschillende soorten zaden geïdentificeerd, waaronder rozen, mosterd, kool en winde plus enkele kruiden, zoals munt, salie, rozemarijn, lavendel en hibiscus.

De Douane heeft nu ook dergelijke pakketten op Schiphol onderschept. Het onbekende plantenmateriaal is verzonden vanuit webshops buiten de Europese Unie. Deze pakketjes waren niet bestemd voor Nederlandse geadresseerden.

De NVWA vraagt het publiek om het via een formulier (categorie ‘planten’) te melden wanneer ze ongevraagd zaadpakketjes in de bus krijgen. Op basis van deze informatie kan de NVWA, in samenwerking met de Douane, het toezicht aan de grens aanscherpen.

Wie een pakketje heeft ontvangen en gemeld, kan dit vervolgens bij het restafval doen. Het restafval wordt verwerkt door middel van verbranding.

Japanse Hulstspanner (of Hulstmot)

Sinds 2007 de eerste waarneming in Nederland heeft de buxusmot(Glyphodes perspectalis) zich een kwalijke reputatie verworven. Deze nachtvlinder is inheems in Japan, China, Taiwan, beide Korea's, het oostelijke deel van Rusland en India.

Met name vanaf 2017 heeft nachtvlinder zo huisgehouden onder de buxus dat deze struik uit vele tuinen is verdwenen.

Natuurlijk, de buxusmot is er nog steeds en de vlinder, de rups en schade aan buxusstruiken worden nog regelmatig gemeld. Maar de grote aantallen meldingen van de afgelopen jaren is wel voorbij. Voor een deel komt dit doordat steeds meer dieren, zoals vogels en egels, de rupsen van buxusmot als prooi hebben ontdekt. Bovendien is op veel plekken geen buxus meer aanwezig en daarop is de buxusmot immers gespecialiseerd.

Veel mensen hebben de buxus maar weg gedaan en vervangen door andere struiken. Eén daarvan is soms de Japanse hulst (Ilex crenata), ook al een exoot. In 2018 is er echter voor het eerst in Nederland een nieuwe nachtvlinder waargenomen in een tuincentrum in Noord-Brabant en die is juist gespecialiseerd in diverse hulstsoorten en met name die Japanse hulst.
Deze van origine Oost-Aziatische vlinder, Plesiomorpha flaviceps, heeft uiteraard nog geen Nederlandse naam, maar 'hulstmot' zou natuurlijk de meest voor de hand liggende zijn. Het is immers de 'opvolger' van de 'buxusmot'. Maar mensen die meer verstand van de materie hebben echter bedacht dat ‘Japanse hulstspanner’ een hele logische benaming zou zijn.

Sinds deze eerste vondst in 2018 zijn er nog geen nieuwe meldingen van deze nachtvlinder in Nederland gedaan, maar in omringende landen, waaronder noordelijk Duitsland en Groot-Brittannië, zijn ze ook al waargenomen. Of de rupsen zich ook te goed doen aan ‘onze’ inheemse Europese hulst (Ilex aquifolium) is nog niet bekend, maar ik zou dat op voorhand beslist niet willen uitsluiten. Hou uw (Japanse) hulst dus in de gaten!

Men heeft nog geen idee hoe deze nachtvlinder de grote afstand tussen zuidoostelijk Azië en noordwestelijk Europa heeft overbrugd, maar aangezien de waarnemingen ruwweg rondom de Noordzee zijn geweest is het niet onlogisch om te veronderstellen dat ze via zeeschepen deze kant op zijn gekomen. Ikzelf gok op containerschepen die met hoge snelheden de wereldzeeën bevaren en in een dag of 25 van Zuidoost-Azië in West-Europa kunnen varen.

Aan alle nachtvlinderaars het verzoek: heb je een Japanse hulstspanner op je laken of in je val, geef dat door!

Met dank aan Kars Veling, De Vlinderstichting

Oestermodderworm

Al in oktober 2014 kregen onderzoeker het vermoeden dat zich een nieuwe exoot in de Waddenzee had gevestigd.
[Image: Dagmar Lackschewitz/AWI]
Hoe de wormpjes hier terechtkwamen is niet met zekerheid te zeggen, zegt David Thieltges, onderzoeker bij het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (Nioz) op Texel, maar mogelijk hebben ze zich verspreid via schepen, larven, vogels of mosselvisserij.

Thieltges heeft het hier over modderwormpjes, die in Nederland nog geen officiële naam hebben, maar de Engelse benaming Oyster mud worm levert een acceptabele vertaling op: Oestermodderworm (Polydora websteri).

De Oestermodderworm is een modderwormpje dat zo’n vijf centimeter lang kan worden. Op 21 plekken rondom Texel en het Duitse Waddeneiland Sylt (op de grens van Duitsland en Denemarken) is het diertje in 2017 aangetroffen. In de schelp van besmette Japanse oesters zaten doorgaans minder dan tien parasieten. De onderzoekers verwachten dat de worm zich verder verspreidt.
[Image: Dagmar Lackschewitz/AWI]
Deze modderworm is in staat gaatjes te boren in de schelp van een Japanse oester (Crassostrea gigas). Dat is op zichzelf al een prestatie, omdat die bijna onverwoestbaar zijn. Door het gaat percoleren modder en zandkorreltjes naar binnen en dat levert vervuiling (en de naam van de worm) op. Als deze parasitaire modderworm eenmaal binnen de oester is, probeert de oester het gaatje aan zijn schelp te repareren. Daardoor ontstaat een soort 'blaar' aan de binnenzijde van de schelp. Omdat de oester veel energie moet besteden aan deze reparatie, heeft deze minder energie over om te groeien of zich gezond te houden.

Wetenschappers claimen dat je zonder problemen de besmette Japanse oesters zou kunnen consumeren, maar ik kan me voorstellen dat niemand die oesters zou willen eten als er friemelende parasitaire wormpjes zichtbaar zijn. Stel je eens voor: je krijgt een versie, rauwe Japanse oester aangeboden en je slurpt hem zo uit de schelp. Verstopt onder die oester kán zich een aantal Oester modderwormen verstopt hebben.

En stel je voor dat hij zich omschakelt tot een parasiet van mosselen. Dan is het leed helemaal niet meer te overzien.

Thieltges hoopt dat mensen op basis van dit nieuws zelf goed in de oesters kijken, zodat beter bekend wordt hoe wijdverbreid de worm is. "Elders in de wereld lijkt de worm een heel groot probleem te zijn. Dus we moeten goed opletten of hij hier ook een troublemaker wordt."

Spaanse Stierspin

De Spaanse stierspin of Iberische stierspin (Macrothele calpeiana) leeft van nature in het zuiden van Spanje, Portugal en Noordwest-Afrika. Het is een van de grootste en meest vervaarlijk uitziende spinnen van Europa. Deze soort is een nogal indrukwekkend dier, waarvan de vrouwtjes tot bijna zes centimeter groot kunnen worden. De mannetjes moeten het met een centimeter minder doen. Er zijn echter van beide seksen ook exemplaren van acht centimeter aangetroffen. Deze soort heeft grote naar voren gerichte kaken. De Spaanse stierspin heeft een satijnzwart uiterlijk, wat hem nog meer doet denken aan de levensgevaarlijke spin Aragog uit de boeken over Harry Potter.
[Foto: J. Gállego]
Ik zou graag op deze plaats een zin willen beginnen met het woord 'Gelukkig...' maar dat gaat tot mijn spijt niet lukken. Met enige regelmaat komt de Spaanse stierspin namelijk per ongeluk in ons land terecht als gevolg van de import van olijfbomen.

De Spaanse stierspin maakt verborgen buisvormige trechterwebben onder of tussen stenen en boomwortels en in boomholtes. Omdat grote olijfbomen in Mediterrane landen nog wel eens opgepot worden en naar andere landen vervoerd worden, kunnen de spinnen ongemerkt meekomen. Bij de vervoerder, de distributeur, het tuincentrum of iemand in de tuin kan de spin er dan uitkruipen en gevonden worden.

Ook hier zou ik hier iets kunnen vermelden dat 'gelukkig kunnen deze dieren niet tegen de koude winters van Nederland', maar ook dat zal niet gaan lukken, want door de opwarming van de aardkloot laten we tegenwoordig mediterrane planten het hele jaar buiten staan. Daardoor zijn is sinds 2010 het aantal waarnemingen van deze soort behoorlijk toegenomen. Alhoewel: Tot nu toe staat de teller van door spinnenkenners (arachnologen) bevestigde importgevallen nog maar op negen, verdeeld over zes provincies. Een groot gedeelte van de spinnen zal echter nooit ‘officieel’ gemeld worden. Een vondst van deze knoepert van een spin trekt vaak behoorlijk de aandacht.

De beet van de Spaanse stierspin is gelukkig niet dodelijk voor de mens, levert geen gezondheidsrisico op, maar kan wel degelijk pijnlijk zijn.

Zo, wat moet je doen als je een Spaanse stierspin aantreft? Europese regels beschermen tot een bepaalde hoogte zelfs deze exoot. Het is namelijk verboden is om dieren, zoals de Spaanse stierspin, zonder vergunning onder zich te hebben of te vervoeren. Dat betekent dus in het algemeen: Stamp!

Pyjamawants

Jawel, de pyjamawants (Graphosoma italicum) heeft een schild dat doet denken aan een ouderwetse herenpyjama. Hij is bijzonder schuw en vlucht bij benadering direct weg onder een blad. Geen wonder, want ook ik zou niet in zo'n kledingstuk in de buitenlucht betrapt willen worden.
[De Italiaanse en gestreepte pyjamawantsen]
De zwart met rood (of rood met zwart) gestreepte tekening loopt over de gehele lengterichting van het schild. Die felle kleurstelling is bedoeld om insecteneters af te schrikken. Ook de buik is rood gekleurd met vele kleine zwarte vlekjes. Deze dient om vogels te waarschuwen voor de (mogelijk) afschuwelijke smaak. Ik heb het niet durven testen. Deze schildwants wordt meer dan een centimeter lang.

Zoals tegenwoordig zo vaak het geval is blijkt ook deze exoot de opeenvolgende milde wintermaanden te overleven. Het vrouwtje is daardoor in staat om voor meer en meer nageslacht te zorgen. Een pest of plaag is daardoor niet uit te sluiten.

Het oorspronkelijke domein van de pyjamawants zijn de zuidelijke delen van Europa. Vandaar natuurlijk ook zijn soortnaam italicum ('de Italiaanse'). Door de veronderstelde opwarming van de aarde weet deze soorten (of soorten, maar daarover later meer) steeds meer in noordelijke richting op te rukken. Tegenwoordig is hij vrij algemeen in Zuid- en Oost-Nederland, maar is ook al waargenomen op de Waddeneilanden. De pyjamawants houdt van (lees: eet) schermbloemigen en is daardoor vaak te vinden op inheemse soorten als wilde peen, engelwortel of zevenblad.

Terug naar het probleem van de soort of soorten: lange tijd hebben entomologen getwijfeld of we in Nederland te maken hadden met de 'Italiaanse pyjamawants' (Graphosoma italicum) of de 'gestreepte pyamawants' (Graphosoma lineatum). Was de eerste slechts een ondersoort van de laatste? De verwarring heeft er voor gezorgd dat de pyjamawants hier altijd onder de wetenschappelijke naam Graphosoma italicum door het leven ging. Tot DNA-analyse uitkomst bracht: het zijn twee verschillende soorten en ze zijn ook nog eens eenvoudig uit elkaar te houden. De 'Italiaanse pyjamawants' is immers rood-zwart gestreept en heeft zwarte poten, terwijl de 'gestreepte pyjamawants' oranje-zwart gestreept is en in het bezit is van een stel oranje onderdanen.

Om het nog ingewikkelder te maken bestaat er ook nog een ondersoort, de 'Siciliaanse gestreepte pyjamawants' (Graphosoma lineatum siciliensis), die alleen voorkomt op het Mediterrane eiland Sicilië. Hij heeft weer zwarte poten, maar is meer rood gekleurd. Tot slot bereikt ons het bericht dat er ook op Sardinië nog een zeldzame ondersoort rondscharrelt. Dat is de 'Sardijnse gestreepte pyjamawants' (Graphosoma lineatum sardiniensis).

Lachstern

Zeldzame lachstern geboren op de Marker Wadden, kopte De Telegraaf op 21 juni 2020. Het artikel beschreef dat Natuurmonumenten had gemeld dat dit een zeer bijzondere feit was, omdat er sinds 1958 slechts één broedgeval in Nederland bekend is. De lachstern staat op de Rode Lijst van bedreigde diersoorten. Er zijn in Noord-Europa nauwelijks geschikte leefgebieden overgebleven waar de lachstern zowel kan broeden als foerageren. De lachstern op de Marker Wadden broedt in een gebied dat alleen toegankelijk is voor de boswachter en een select aantal natuuronderzoekers.
[Image: Eric Kershner/USFWS]
De lachstern (Gelochelidon nilotica) komt in de vorm van een vijftal ondersoorten voor in grote delen van de wereld. Het jonkie, dat in het IJsselmeer het levenslicht heeft gezien, behoort tot de Euraziatische ondersoort (Gelochelidon nilotica nilotica). Deze ondersoort heeft een bijna wereldwijde verspreiding, maar leeft het liefst in een wat aangenamer klimaat.

Een volwassen lachstern kan van kop tot staart zo'n 40 centimeter lang worden en heeft een gedrongen uiterlijk met een korte dikke nek. De vleugels zijn breed, de poten lang en het lichaam is gespierd. In de zomer heeft een volwassen exemplaar een grijze kleur aan de bovenkant met wit aan de onderkant. De soort heeft een zwarte kap op de kop en zwarte poten. De roep is een krakend duidelijk vrij hoog geluid wat ietwat lijkt op "krwik". In de winter verdwijnt de zwarte kap en verschijnt er over het oog geplaatst een zwarte vlek.

In Nederland is het al vele decennia geleden dat de lachstern een regelmatige broedvogel was. Hij is erg gevoelig voor verstoring en in het zo volgebouwde Nederland is dat natuurlijk al snel het geval. Nadat de lachstern al tijden uit niet meer in ons land was waargenomen besloot men hem in 2004 maar als 'verdwenen' te classificeren.

Nu kun je jezelf de volgende vraag stellen: de lachstern is ooit verdwenen uit ons landschap en nu is hij op eigen kracht teruggekeerd. Mag je hem daardoor als een exoot bestempelen of behoort hij nog steeds tot de inheemse fauna?

Een andere vraag is natuurlijk of Marker Wadden wel zo'n goed gekozen naam is. Officieel zijn wadden een dynamisch zilt gebied dat door eb en vloed iedere dag van gedaante zal wisselen. De Marker Wadden zijn slechts wat opgespoten eilandjes in een zoetwater meer zonder enige vorm van getij. Verstikkende algengroei ligt daardoor altijd op de loer.

Beter goed gejat dan slecht verzonnen, zullen we maar zeggen. Het gebied heeft in ieder geval een zeldzame lachstern tot broeden verleid.

Kompassla

Kompassla (Lactuca serriola) groeide oorspronkelijk als steppeplant in Azië. De wind is verantwoordelijk voor de verspreiding van zaad. We komen hem hier tegen in wegbermen, op stortplaatsen, oude zandhopen, spoordijken, aan stenige waterkanten en ook tussen straatstenen. In Nederland is ze, vooral in stedelijke gebieden, een algemene soort geworden, al is hij alleen in Noord-Nederland nog redelijk zeldzaam.
De Nederlandse naam is aan deze soort toebedeeld doordat de gedraaide bladtoppen de noord-zuidrichting aanwijzen. In Engelstalige landen noemt men hem de prickly salad ('stekelige sla') en die naam is terecht gegeven. De planten hebben een behoorlijke penwortel die zich wel een meter diep de grond wortelt. Daaruit ontwikkelt zich een rechtopstaande, onbehaarde groenwitte stengel die tot meer dan een meter hoog kan opgroeien. Die stengel is gestekeld en zitten in het verlengde van de stekels die onder de middennerf zitten van de bladeren. Deze stekels zijn zo'n twee millimeter  lang en erg stevig. De rand van de bladeren is getand met korte stekeltjes en als geheel zien de bladeren er vervaarlijk uit. De kleur van de bladeren is blauwachtig en ze hebben daarbij een leerachtig en vlezig uiterlijk. Al met al een formidabele verdediging om zich tegen hongerige planteneters te kunnen beschermen.

Opmerkelijk is de stand van de bladeren van deze plant. De bladeren zijn vaak een kwartslag gedraaid. De bovenste helft van het blad keert zich vaak naar boven en is noord-zuid gericht. Dit is een aanpassing die de plant beschermt tegen al te grote uitdroging.

De kompassla bloeit met aantrekkelijke gele bloemen. Het zijn planten met een wit melksap, dat na een half uurtje verkleurt naar lichtgeel.

So far, so good, zou je zeggen. Kompassla hoort hier weliswaar niet thuis, maar veroorzaakt ook geen problemen, omdat hij zich tot wat verloren hoekjes van het land beperkt.

Toch moet je oppassen met de kompassla. Als hij zich weet te vestigen op akkerland zijn boeren soms genoodzaakt om de gifspuit ter hand te nemen. De meest gebruikte herbicides zijn de zogenaamde ALS-remmers. Alle stoffen uit deze groep remmen de aanmaak van het enzym AcetoLactaatSynthase, afgekort ALS. Dit enzym zorgt voor aanmaak van aminozuren (bouwstoffen van eiwitten), zoals valine, leucine en isoleucine. Nadat de aanmaak van aminozuren is geremd, gaat de plant de nog aanwezige voorraad aminozuren verbruiken. De groei stopt meteen. In Kompassla heeft echter een puntmutatie plaatsgevonden waardoor de soort resistent is geworden tegen ALS-remmers: de mutatie (substitutie) van proline197 naar histidine[1].

[1] Eberlein et al: Altered acetolactate synthase activity in ALS-inhibitor resistant prickly lettuce (Lactuca serriola) in Weed Science – 1997

Bosmuis (op Griend)

Wanneer kan een soort een exoot genoemd worden? Normaal gesproken zou je als antwoord geven dat een soort een exoot is als deze voor het eerst de landsgrenzen oversteekt en zich min of meer blijvend in Nederland vestigt. Een iets andere definitie zou kunnen zijn: een soort is een exoot als hij zich ergens door menselijk ingrijpen vestigt waar hij eigenlijk niet thuishoort.
Een voorbeeld van die laatste omschrijving is de bosmuis (Apodemus sylvaticus). Deze soort komt in vrijwel geheel Europa voor, met uitzondering van het noorden van Scandinavië en het overgrote deel van Rusland en de Baltische staten. De oostgrens volgt ongeveer het traject van het voormalige Ijzeren Gordijn. De soort komt ook voor op IJsland, enkele eilanden in de Middellandse Zee, waaronder Sardinië en Corsica, in Noordwest-Turkije en in noordwestelijke delen van Afrika.

Bosmuizen worden ongeveer tien centimeter lang en de staart doet er nog eens tien centimeter bij. Gemiddeld weegt een bosmuis 25 gram. Mannetjes worden iets groter dan vrouwtjes.

De bosmuis is een ware opportunist en heeft daardoor een gevarieerd dieet. Hij leeft van graan, noten, vruchten, bessen, eikels, beukennootjes, hazelnoten, zaden, knoppen, paddenstoelen, mossen en galappels, maar ook van insecten, duizendpoten, spinnen, regenwormen en slakken. 's Zomers eet hij voornamelijk boomzaden en noten, 's winters verandert hij zijn dieet naar scheuten, knoppen en rupsen. In de winter leeft hij onder meer van de vruchtbare delen van varens, wat zeldzaam gedrag is onder de gewervelden. Varens hebben namelijk de neiging om veel gif uit de bodem op te nemen.

Deze soort is meestal 's nachts actief, al in hij gedurende nachten met een heldere maan een stuk minder actief. De grootte van het woongebied verschilt per geslacht en habitat, want dieren uit landbouwgebieden hebben grotere territoria dan dieren in bossen.

Bosmuizen leven over het algemeen in bossen, tuinen, braakliggend terrein, graanvelden, struikgewas en zandduinen; soms ook in gebouwen. In berggebieden komen de dieren niet boven de boomgrens voor.

Tot zover is er niets dat er op wijst dat een bosmuis in ons land een exoot kan zijn, maar schijn bedriegt. De bosmuis komt op alle Waddeneiland voor, behalve het onbewoonde eilandje Griend. Doordat Griend niet door dijken wordt beschermd vond er voortdurend afkalving plaats. Rond 1988 werd het verstevigd door de aanleg van een lage zanddijk langs de noordzijde.
Tijdens de aanleg van de zanddijk is het eiland namelijk 'per ongeluk' gekoloniseerd door de bosmuis. Ze vormen een onverwacht maaltje van roofvogels, zoals de blauwe kiekendief of de velduil. Op Griend is het dus een exoot.

Anna Paulownaboom

De Anna Paulownaboom (Paulownia tomentosa) is inheems in West- en Centraal-China, maar is al eeuwen geleden in Japan ingevoerd en daar veel aangeplant. Het hout (Kiri) wordt in Japan veel gebruikt voor meubels, houtsnijwerk en muziekinstrumenten. De boom is rond 1834 door de VOC ingevoerd in Europa. Door de bij de VOC in dienst zijnde arts-botanicus Von Siebold is de boom vernoemd naar Anna Paulowna (1795-1865), dochter van tsaar Paul I en gemalin van koning Willem II.
De Anna Paulownaboom is een tot maximaal 20 meter hoge boom met circa 40 centimeter grote hartvormige bladen. De boom bloeit met grote, paarse, welriekende, trompetvormige bloemen, die in rechtopstaande, pluimvormige bloeiwijzen geplaatst zijn. De doosvruchten bevatten talrijke tot vier millimeter lange gevleugelde vruchtjes, die door de wind verspreid worden.

De keus aan bomen, die in onze tuinen en plantsoenen aangeplant kunnen worden, is groter dan ooit. Door de klimaatverandering verlengt het groeiseizoen en doen ook soorten uit zuidelijke streken het tegenwoordig goed. Ook speelt mee dat er tegenwoordig van enkele bomen en struiken meer winterharde variëteiten beschikbaar zijn. Een aantal in het stedelijk gebied aangeplante warmteminnende bomen en struiken is recent in toenemende mate aan het verwilderen. Eén van deze soorten is de Anna Paulownaboom.

Vrijwel alle waarnemingen van verwilderde de Anna Paulownaboom dateren van na 2000. De laatste jaren wordt de soort ieder jaar op meer plaatsen verwilderd waargenomen, meestal in stedelijk gebied in de zuidwestelijke helft van het land, maar ook noordelijker is de soort al gesignaleerd. Het is een echte pioniersoort; de kleine vruchtjes worden door de wind over honderden meters verspreid en kiemen op onbegroeide plekjes tussen straatstenen, onderlangs gevels, op braakliggende terreinen, muren en oevers.
[Foto: FC Klok - Verwilderd exemplaar in Amserdam]
Verwildering van de Anna Paulownaboom wordt ook elders in Europa gesignaleerd. In Oostenrijk werden de eerste verwilderingen al halverwege de jaren 1960 opgemerkt, in het zuiden van Duitsland vanaf de jaren 1970. In Engeland en België dateren de eerste verwilderingen uit respectievelijk 1995 en 1999. Overal in Europa verwildert de Anna Paulownaboom vooral in het stedelijk gebied.

Vooral in Duitsland wordt beleggen in Kiri (de Anna Paulownaboom) voorgespiegeld als uiterst lucratief, met rendementen tot 5-8% per jaar. Geïrrigeerde monoculturen met in rijen geplante, gekloonde exoten worden aangeprezen als ecologisch verantwoorde, duurzame beleggingsobjecten. Ze leggen immers CO2 vast en er wordt geen gebruik gemaakt van pesticiden of kunstmest.

Monoculturen zijn broeinesten van ziekten. Wordt één boom ziek, dan ben je je hele plantage kwijt. Monoculturen dienen daarom niet gezien te worden als 'bossen', maar als 'groene woestijnen'.

Erwtencysteaaltje

Akkerbouwers weten het: erwten kunnen last krijgen van de zogenaamde Sint-Jansziekte. Omstreeks Sint-Jan (24 juni) kunnen erwten plotseling vergelen en sterven daarna vervroegd af of geven onvoldoende opbrengst. Lang was de oorzaak van dit ziektebeeld onbekend, maar tegenwoordig weten we dat het wordt veroorzaakt door het erwtencysteaaltje (Heterodera goettingiana), een nematode.
Het erwtencysteaaltje is een direct familielid van het geel aardappelcysteaaltje (Globodera rostochiensis) en het wit aardappelcysteaaltje (Globodera pallida) die alebei aardappelmoeheid kunnen veroorzaken.

Het erwtencysteaaltje werd voor het eerst ontdekt in 1890 nabij de Duitse plaats Göttingen (waarvan zijn specifieke wetenschappelijke soortnaam goettingiana is afgeleid) en het zal dus geen verbazing wekken dat deze ziekteverwekker ook in ons land voorkomt.

Cysteaaltjes hebben de vervelende gewoonte om holtes (de cystes) in wortels van planten te boren en daarin de eitjes te leggen. Hoewel de aaltjes maar piepklein zijn (130 µm ofwel 0.13 mm) kunnen ze een plant totaal verwoesten door hun grote aantallen. Zoals de Engelsen zeggen is er strength in numbers. Eentje is niet zo erg, maar duizenden kunnen één enkele erwtenplant laten afsterven. Denk aan miljarden per veld en je snapt dat een akkerbouwer behoorlijk in de problemen zal zitten.

Uiteraard heeft het ertencysteaaltje het niet alleen gemunt op erwtenplanten, maar kan hij ook overleven en zich vermeerderen op veldbonen, tuinbonen en wikke. Het erwtencysteaaltje komt tegenwoordig wijdverspreid voor in Europa en het Middellandse Zeegebied. Pas recent is gebleken dat dit aaltje ook de Verenigde Staten heeft bereikt.

De Landbouwuniversiteit van Wageningen heeft onderzoek gedaan naar de mogelijke bestrijding van deze pestkop, maar de resultaten zijn niet echt hoopgevend. Zij adviseren bij besmetting met erwtencystenaaltjes een ruime rotatie van één op zeven jaar of ruimer. Ze noemen het de enige oplossing. In deze jaren kunnen op dat perceel uiteraard ook geen andere waardplanten als veldbonen, tuinbonen en wikke worden geteeld omdat deze gewassen ook zeer gevoelig zijn voor deze ziekteverwekker.

Gingellikruid

Het zou me niets verbazen dat je nog nooit van het gingellikruid (Guizotia abyssinica) gehoord hebt, maar toch is het een belangrijk cultuurgewas. Weliswaar is dat in de hooglanden van Oost-Afrika, maar wijzelf hebben er voor gezorgd dat deze soort steeds vaker in Nederland wordt aangetroffen.
Het gingellikruid is een eenjarige plant in de asterfamilie met een rechtopstaande en naar rood neigende stengel. Hij bloeit van augustus tot oktober met gele bloemen. Uiteindelijk ontstaat een klein, zwart en vettig drie- of vierkantig nootje. In Nederland groeit deze exoot op vochtige, verstoorde bodems en die omgevingen hebben we hier natuurlijk meer dan voldoende. Denk aan stortplaatsen, bermen, rivieroevers en in stedelijke omgevingen. Gingellikruid komt nog voornamelijk voor in Midden- en Zuid-Nederland, maar zijn areaal breidt zich voortdurend in noordelijke richting uit.

In landen als Ethiopië, Kenia en Malawi wordt het plaatselijk niger, nyger, nyjer, niger seed, ramtil, ramtilla, inga seed of blackseed genoemd. Zoveel stammen, zoveel talen en zoveel benamingen. Daar werd het gingellikruid al eeuwenlang verbouwd voor diens eetbare olie en piepkleine zaden. Ieder zaadje bevat tot 35% olie, een meervoudig onverzadigd vetzuur. Gingelikruid heeft maar weinig water nodig om te groeien en dat is handig, want in oostelijk Afrika valt niet al te veel neerslag. Oost-Afrika deel uitmaakte van de maritieme versie van de Zijderoute, al gaan er stemmen op om die naam te vervangen met Monsoon Marketplace. Het is dus niet zo vreemd dat men ook in andere landen die deel uitmaakten van die Monsoon Marketplace de voordelen van gingellikruid begon in te zien. Tegenwoordig is India de grootste producent van gingellizaad.
Aha, zo zal de lezer zich op dit moment afvragen, maar als dit plantje zo populair is in de wat meer tropische regionen van de wereldbol, hoe is het dan mogelijk dat het ook in ons land aan een opmars bezig is. Dat komt omdat gingellizaadjes zo voedzaam zijn dat ze ook in vogelvoer worden toegepast. Het zijn zulke kleine zaadjes dat het onvermijdbaar is dat ze verspild worden bij het voederen door vogels. Dat is direct ook de reden dat veel waarnemingen in steden worden gedaan: zowel zangvogels als vogelliefhebbers knoeien nogal met dat piepkleine zaad. Met die kans weet de natuur wel raad.

De meest noordelijke waarneming van het gingellikruid is recent gedaan in Noord-Groningen.

Tomato Brown Rugose Fruit Virus

Het Tomato Brown Rugose Fruit Virus (ToBRFV) is een plantenvirus dat het gemunt heeft op uw tomaten, paprika's en chilipepers. Om maar direct uw zorgen weg te nemen is het virus niet gevaarlijk voor mens of dier. Het is een broertje van het Tobacco Mosaic Virus (ToMV) en hij heeft nog 36 andere broertjes en zusjes die allerhande plantensoorten het leven behoorlijk zuur maken.
U heeft nog nooit van dit plantenvirus gehoord, zo zegt u? Dat kan kloppen, maar de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) hield de verspreiding van het ToBRFV nauwlettend in de gaten en begreep dat de open grenzen in Nederland deze vervelende exoot nooit tegen zouden kunnen houden.

Sinds begin oktober 2019 meende de NVWA dat er bij een tomatenteler in het Westland wel eens sprake kon zijn van een besmetting met dit virus. Op 17 oktober is dit vermoeden door de NVWA bevestigd.

Vanaf 1 november 2019 zijn er in de EU noodmaatregelen van kracht. Het Tomato Brown Rugose Fruit Virus kreeg formeel de quarantainestatus in de EU en er geldt dan automatisch een meldplicht. Die noodmaatregelen zijn gericht op het voorkómen van de introductie en verdere verspreiding van het virus. De maatregelen zijn bedoeld om de teelt van tomaten en paprika in de EU te beschermen, want geloof me, dat is een zeer belangrijk landbouwgewas.

Die noodmaatregelen komen, zoals zo vaak, een beetje laat, want intussen zijn er in het hele land al meerdere besmettingen met het Tomato Brown Rugose Fruit Virus gemeld. Per 11 februari 2020 zijn er in totaal 17 bedrijven waar het virus is aangetroffen, terwijl er ook nog eens vier zware verdenkingen zijn.

Hoe het Tomato Brown Rugose Fruit Virus in ons land terecht is gekomen is onduidelijk, maar het virus is heel gemakkelijk via contact (mens, dier, mechanisch) overdraagbaar op waardplanten en blijkt dus zeer besmettelijk te zijn. Denk bijvoorbeeld aan besmetting via handen, handschoenen, gebruikte gereedschappen of zelfs mobiele telefoons. Daarnaast zijn deze virussen via zaad overdraagbaar op jonge planten. Via de onbedoelde en ongemerkte handel in besmet zaad en vruchten kunnen de virussen over grote afstanden worden verspreid.

Mocht u zich afvragen wat 'Rugose' in de naam van dit virus betekent, dan is dat 'gerimpeld' of 'gegolfd'. Dan weet je ook hoe het blad van een geïnfecteerde plant eruit zal zien.

Fasantenbes

Plant eens een bijzondere heester in de tuin, zoals de fazantenbes (Leycesteria formosa), zo adverteert een tuincentrum online. Ik ben het met ze eens dat het een aantrekkelijke verschijning is met zijn aparte bloem- en (later) bestrossen. Het is een niet al te grote heester, die zowel in een kuip als ook in de volle grond geplant kan worden. Hij bloeit tot eind september en ontwikkelt dan mooie donkerrode bessen met wel 100 zaadjes die graag door vogels genuttigd worden.

Ah, zo denkt de lezer van dit weblog onmiddellijk, in die laatste zinsnede zit het onbedoelde gevaar verborgen, want als de bessen door graag vogels worden gegeten dan zouden al die zaden wel eens in de 'vrije natuur' kunnen worden gedropt via de uitwerpselen. En dan zijn er vervolgens biologen die ietwat verrast een verwilderde fasantenbes aantreffen
De fasantenbes is inheems in de Himalaya van Noord-Pakistan tot China. Hij groeit als struikvegetatie in bossen en rivieren. Sommige soorten gedijen in de bergen tot een hoogte van 3,000 meter. Sinds 1824 wordt de fasantenbes in Europa gecultiveerd, maar hij is nog steeds een bijzondere en niet al te vaak voorkomende plant.

De fasantenbes is een bladverliezende heester met groene, holle, rechtop staande stengels met een blauwachtige glans. De donkergroene langwerpige bladeren zijn aan de onderzijde blauwachtig.

Hij bloeit van juni tot oktober met witte tot 10 centimeter lange, overhangende, pagode-achtige bloemtrossen en grote purperrode schutbladeren. Deze blijven aan de stelen zitten, ook al zijn de bloemen afgevallen. De bloemen zijn zowel mannelijk als vrouwelijk en worden door insecten bestoven.

De bessen zijn in het begin groen, dan rood, later zwart en steken mooi af tegen de rode schutbladeren. Ze zullen niet lang aan de struik blijven zitten, want vogels, vooral fazanten, zijn er dol op. Die bessen rieken ietwat naar chocolade, sommigen beweren zelfs de geur van nootmuskaat te herkennen.

Je snapt dat deze struik maar niet in je tuin aangeplant moet worden. Hij hoort thuis in Azië en niet in ons land. Als exoot verdringt hij de inheemse planten en dat is iets wat ten alle tijde voorkomen dient te worden.

Schijngenadekruid

Het schijngenadekruid (Lindernia dubia) is verwant aan het genadekruid (Gratiola officinalis), maar dat is alleen maar interessante informatie als je weet dat genadekruid een zeldzame inheemse giftige, plant is. Samen behoren ze (nog) tot de weegbreefamilie (Plantaginaceae).
[Foto: Joke Schaminée-Sluis]
Schijngenadekruid is een kruipende tot opstijgende plant met bladeren die voorzien zijn van een waslaagje. De stengel is vierkant. Zoals bij de weegbree zijn de bladeren parallelnervig. De witte tot violette bloemen (en later) vruchten staan op een kort steeltje uit de bladoksel en liggen als het ware op het blad. De plant kleurt later in het seizoen wat oranjebruin en is aan het begin van de winter vaak dieprood.

Schijngenadekruid is inheems op het Amerikaanse continent en is Europa binnen gekomen via havens in Zuid-Frankrijk. Van daaruit heeft de soort zich succesvol verspreid naar moerassige gebieden in Zuid-, maar ook Centraal-Europa. Verspreiding verloopt waarschijnlijk via vogels, transport via schepen, werktuigen en visgerei, en door aanspoeling.

Elders in Europa wordt schijngenadekruid soms zoveel aangetroffen dat zij andere soorten in verdringt en kwetsbare ecosystemen bedreigt. In Nederland is dit (nog) niet het geval. De eerste waarneming in Nederland dateert uit 1993 in een visvijver in Limburg. Vermoedelijk kwam de plant daar terecht als toevallige bijgroei bij vijverplanten of via gedumpt vijver- of tuinafval.

Toch lijkt het schijngenadekruid in ons land aan een opmars bezig te zijn. Was zij eerst nog bekend van een beperkt aantal locaties aan de grote rivieren (Grensmaas en Ewijkse Plaat), nu verovert zij ook al vennetjes in West-Brabant en Noord-Limburg. In 2014 werd de plant aangetroffen bij een vennetje bij Huizen (NH). Wanneer het schijngenadekruid wordt aangetroffen ziet men ook (sporen van) ganzen en eenden en men vermoedt dat deze watervogels zaden en delen van planten meevoeren.
Schijngenadekruid is een kolonist van periodiek droogvallende oevers, en heeft veel licht, vocht, en een dunne laag organisch materiaal nodig. Daardoor kan deze soort in Nederland op veel locaties een aanvaardbare habitat vinden.

Plantkundigen geloven dat schijngenadekruid een warmteminnende soort is en dat hij misschien door de zachte winters van de afgelopen jaren wat heeft weten uit te breiden. Wij weten wel beter: planten hebben de vervelende neiging om zich aan wisselende omstandigheden aan te kunnen passen en ik verwacht dat de kolonisatie van de rest van het land slechts een kwestie van tijd zal zijn. Het is bovendien een wat onooglijk plantjes dat eenvoudig aan waarneming kan ontsnappen. Daardoor is het niet onwaarschijnlijk dat deze soort momenteel al op veel meer plaatsen groeit dan tot nu toe bekend is.

Smalle theeplant

Geen idee hoe de smalle theeplant (Gymnocoronis spilanthoides) aan zijn Nederlandse naam is gekomen. Hij lijkt niet op de theeplant, je kunt er geen thee van zetten en deze soort komt ook niet uit de regio waar thee inheems is. Bovendien is hij hier vaak te koop als als aquariumplant onder de naam Senegalese theeplant en die naam is ook al onjuist. De smalle theeplant is inheems in delen van Zuid-Amerika, vooral in Uruguay en Paraguay.
Smalle theeplant is een overblijvende oeverplant die opgaande stengels kan vormen die tot 1,5 m hoog zijn. Die stengels zijn bleekgroen, rond of zes- tot achthoekig en hol. De tot 20 centimeter grote bladeren zijn lancetvormig met gegolfde bladranden. De plant bloeit met witte bloemen. De plant groeit meestal vanuit de oever en vormt van daaruit grote drijvende matten, maar zij kan ook volledig onder water voorkomen.

Zoals al gezegd wordt de plant aangeprezen als een makkelijke plant die snel groeit, makkelijk te vermeerderen is en die bovendien zelfs geschikt is voor een onverwarmd aquarium. Gezien reacties op sites van aquariumliefhebbers zijn echter niet alle aquariumliefhebbers even enthousiast over deze plant. De plant groeit namelijk veel te snel en overwoekert ieder aquarium in korte tijd. De soort wordt dan een onkruid, waar de aquariumliefhebber al snel genoeg van zal hebben. Dan weet de vaste lezer van dit weblog al waartoe dit gaat leiden: de smalle theeplant wordt in de sloot gekieperd.

Smalle theeplant vormt in het oppervlakte water grote drijvende matten. Door zijn holle stengel kan de plant groeien over het oppervlak van ondiep, langzaam stromend water of op drassige plekken. In gebieden waar smalle theeplant invasief wordt, is schade te verwachten zoals het verdringen van inheemse soorten, het verlagen van het zuurstofgehalte van het water, belemmering van de doorstroming van water en het kan zelfs problemen opleveren voor schepen. De angst bestaat dat de plant zich mogelijk zou kunnen vestigen in Zuid-Europese rijstvelden. De drijvende matten kunnen bovendien ontwateringssystemen of irrigatiekanalen blokkeren.

De Europese Gemeenschap heeft de smalle theeplant in 2019 geplaatst op de Unielijst van de EU Exotenverordening. Dat betekent dat de verkoop in de hele EU verboden is.

De experts van de NVWA hebben geprobeerd de risico's voor Nederland van de smalle theeplant in kaart te brengen. Zoals zo vaak hebben ze eerst even hun roze bril opgezet en de conclusie liet zich raden: het valt wel mee.

Stand van zaken in 2019, zo schrijven ze optimistisch in hun rapportage, is dat de smalle theeplant niet voorkomt in de Nederlandse natuur en de verwachting was dat de plant zich in het huidige klimaat niet kan vestigen.
In 2019 werd in Vleuten (Utrecht) waargenomen dat de smalle theeplant zich had verspreid en zelfs de winter hadden overleefd. De planten zijn verwijderd door de gemeente Utrecht. Zucht.

Treurmaina

De Europese Unie is qua oppervlakte groot en wordt steeds groter als men onnadenken landen laat toetreden. Dat betekent echter ook dat een probleem, dat in het ene land ervaren wordt, in een ander land volstrekt onbekend is. Als we het over exoten hebben dan is de treurmaina (Acridotheres tristis) een goed voorbeeld. De soort is namelijk in 2019 als vijfde vogelsoort toegevoegd aan de Unielijst van de EU Exotenverordening. Treurmaina’s kunnen nesten van andere vogelsoorten inpikken, wat gevolgen kan hebben voor andere, meer kwetsbare soorten.
De treurmaina is familie van de spreeuw en wordt daarom ook wel treurspreeuw genoemd. De treurmaina is vrij eenvoudig te herkennen, want hij meet van kop tot staart ongeveer 25 centimeter, is bruin van kleur, heeft een grijszwarte kap en heeft in vlucht opvallende witte vleugelvelden. De poten en snavel zijn geel, evenals de naakte huid rondom het oog.

Treurmaina’s zijn inheems in delen van Centraal-Azië, op het Indische subcontinent, oostwaarts tot in Zuidoost-Azië. Ze leven er in allerlei open landschappen, zoals landbouwgebieden en ook in dorpen en steden. De soort is omnivoor, want hij eet zowel insecten als fruit en zaden. Treurmaina’s broeden in holen in bomen en bouwwerken.

De treurmaina zou zich op natuurlijke wijze hebben uitgebreid naar aanliggende gebieden. Daarnaast komt de soort tegenwoordig in soms grote aantallen voor in een aantal tropische en subtropische landen, waaronder Australië, Zuid-Afrika en diverse eilanden in de Indische Oceaan.

Voor de rest van de waarnemingen moet de beschuldigende vinger weer naar de mens worden gericht. Deze intelligente vogel lukt het nog wel eens om uit een volière te ontsnappen. Soms werd de soort zelfs uitgezet om schadelijke insecten te bestrijden. In de EU heeft de soort vooralsnog alleen zich voortplantende populaties in delen van Italië en Portugal. In het verleden broedde de soort ook in Spanje op een aantal Canarische eilanden, maar deze populaties zijn succesvol verwijderd.

De eerste waarneming van de treurmaina in Nederland stamt uit de jaren zeventig. De laatste tien jaar wordt de soort jaarlijks gemeld. De meeste waarnemingen betreffen solitaire vogels. De soort heeft zelfs enkele malen in Nederland gebroed: in 1984 bij het Veluwemeer, in 2006 in Rotterdam en in 2008 in Oss. Waarnemingen in 2019 betroffen enkelingen in Utrecht, Zeist, Den Haag, Ijmuiden en het Friese Berlikum.

Naast de treurmaina zijn in de afgelopen jaren met enige regelmaat kuifmaina’s (Acridotheres cristallelus) en oevermaina’s (Acridotheres ginginianus) in Nederland in het wild waargenomen en incidenteel in 2013 de junglemaina (Acridotheres fuscus) en Javaanse maina (Acridotheres javanicus). In 1985 is op Zuid-Beveland zelfs een broedgeval vastgesteld van de oevermaina.

Napolitaanse cyclamen

De meeste mensen noemen een cyclamen kortaf cyclaam. Dat komt omdat men vroeger geloofde dat het woord 'cyclamen' wel een meervoudsvorm moest zijn en daarom verzon men het woord 'cyclaam' als enkelvoud. De juiste versie is echter 'cyclamen' en dat woord is dus zowel de enkelvoudsvorm als de meervoudsvorm.
[Foto: Wilde planten op Texel]
Een cyclamen is een knolgewas en die zorgt voor voldoende voedsel om de plant een decennialang leven te geven. De bladeren zijn vaak fraai, wit gemarmerd, met een typisch kerstboompatroon in hun midden. De cyclamen bloeit overdadig met rode, roze, witte of bonte bloemen. Cyclamen zijn veelal geurloos.

Het domein van de cyclamen zijn de landen rondom de Middellandse Zee. Daar goeien en bloeien diverse soorten in niet al te scherp afgebakende gebieden. Hier in Nederland is de cyclaam natuurlijk een kamerplant die qua belangstelling wat up and downs gehad heeft. Hij is tijden uit de mode geweest, is in de 19de eeuw weer populair geworden, maar is na de jaren 80 van de vorige eeuw weer een plant voor oma's geworden. Het kan verkeren.

Toch kun je hier te lande soms een Napolitaanse cyclamen (Cyclamen hederifolium) verwilderd aantreffen. Het is een tuinvlieder, zoals biologen dat plegen te noemen. Op Texel zijn enkele vindplaatsen, maar ook aan de Noord-Groningse Waddenzeekust zijn wat verdwaalde exemplaren te aanschouwen.

Ooit stond de cyclamen bekend als een geneeskrachtige plant. Het was in gebruik als laxeermiddel, als middel tegen wormen en als middel om de menstruatie op te wekken. Bovendien zou het werkzaam zijn bij een verstopte neus (sinusitis) en bij 'nerveuze toestanden'.

Cyclamen zijn echter door giftige saponines beslist niet veilig voor inwendig gebruik. Ben je toch zo onverstandig om te luisteren naar mensen die geen verstand van zaken hebben dan kun je al bij een dosis van 300 mg (en dat is heel weinig) rekenen op maagpijn, misselijkheid, braken en diarree. Nog hogere doses zullen echte vergiftigingen veroorzaken met symptomen, zoals spasmen en ernstige ademhalingsproblemen.

Wetenschappelijk onderzoek naar de werking van cyclamen als neusspray bij sinusitis leverde op dat het onwerkzaam was en dat meer dan de helft van de deelnemers bijwerkingen meldde[1].

Misschien moeten we toch meer leren genieten van een cyclamen als kamerplant. Kom je wat tot rust en ben je ook direct van je klachten van 'nerveuze toestanden' af.

[1] Zalmanovici Trestioreanu et al: Cyclamen europaeum extract for acute sinusitis in Cochrane Database of Systematic Reviews - 2018

Afrikaanse fruitmot

Zo langzamerhand beginnen de nadelen van het gesleep van producten uit verre oorden echt zichtbaar te worden. Dat je, samen met agrarische producten uit het buitenland, ook onbedoelde verstekelingen kunt meevoeren is al veel langer bekend, maar toch is iedereen altijd weer verbaasd wanneer zoiets breed in de media wordt uitgemeten.
Veel partijen bloemen, planten en fruit worden bij onze landsgrenzen tegengehouden, omdat uit onderzoek bleek dat ze besmet waren met de Afrikaanse fruitmot (Thaumatotibia leucotreta). Biologen denken dat de Afrikaanse fruitmot oorspronkelijk ten zuiden van de Sahara (Sub-Saharan Africa) leefde, maar zelfs daar zijn ze niet zeker van.

Liefst 3,1 miljard rozen met een waarde van zo'n €250 miljoen komen er ieder jaar vanuit Afrika deze kant uit, waarvan tweederde uit Kenia. De Afrikaanse fruitmot voelt zich kennelijk prima thuis tussen de bloemen en mede daardoor bleek er een spectaculaire stijging van het aantal tegengehouden partijen. 

De Afrikaanse fruitmot heeft, normaal gesproken, zijn zinnen gezet op citrusbomen, maar heeft ook geen moeite met macadamiabomen of katoenstruiken. De larve maakt het nog minder uit waar deze zijn voedsel haalt en dus staat ieder landbouwproduct wel op het menu.


Paprika's blijken uitgesproken favoriet bij het beestje dat sinds dit jaar op de quarantainelijst van de Europese Unie staat. Dat betekent dat er strenge maatregelen gelden wanneer de Afrikaanse fruitmot in een kas wordt aangetroffen. Vernietigen van de hele inhoud van de kas kan een optie zijn, al is het ook mogelijk om tot chemische bestrijding over te gaan. In beide gevallen test een grote strop voor de teler.

Het grootste gevaar van een eventuele invasie van Afrikaanse fruitmotten is van economische aard. Als larven in de vrucht kruipen en ze worden vervolgens in andere landen aangetroffen, dan bestaat de kans dat landen besluiten helemaal geen paprika's uit Nederland meer willen afnemen. Zover is het gelukkig nog niet en de sector wil dat graag zo houden. Die sector wil graag meer controle (maar dat mag niet van de EU). Overigens is het de verantwoordelijkheid van Kenia om ervoor te zorgen dat de rozen die naar de EU gaan vrij zijn van de Afrikaanse fruitmot.

Natuurlijk houdt de Afrikaanse fruitmot van tropische warmte en denken biologen dat ze de Nederlandse winters niet zullen overleven. Ze vergeten daarbij natuurlijk de effecten van de opwarming van de aarde en het feit dat in kassen ook bijna tropische omstandigheden heersen.

Zwarte kruisbes

Exoten hebben soms als bijkomend probleem dat er nog geen aanvaarde Nederlandse naam bestaat. Dat is ook het geval met de Ribes divaricatum, een Amerikaanse kruisbes. In zijn thuisland leven er een drietal ondersoorten (Ribes divaricatum divaricatum, Ribes divaricatum parishii en Ribes divaricatum pubiflorum) die het westen van Noord-Amerika van noord tot zuid onderling verdeeld hebben. Laten we niet ingewikkeld doen en deze soort de zwarte kruisbes te noemen.
De zwarte kruisbes is een struik, die tot drie meter hoog kan opgroeien. Hij bloeit met een kleine tros van hangende bloemen, elk met paars getinte groene kelkblaadjes en kleinere, lichtere bloemblaadjes die lange, uitstekende meeldraden omcirkelen. De vrucht is een zoet smakende eetbare zwarte bes van zo'n centimeter breed.

De noordelijke ondersoort, Ribes divaricatum divaricatum, komt in toenemende mate in Europa voor. Mogelijk zijn de planten rond 1900 ingevoerd. In die tijd zaaide Amerikaanse meeldauw of Ribesmeeldauw (Podosphaera mors-uvae) dood en bederf in Europa. Vooral de teelt van kruisbessen had toen bijzonder te lijden onder deze schimmel. Bij de zoektocht naar resistente Ribes-soorten kwam men uiteindelijk bij Ribes divaricatum uit. Door inkruisen met Ribes divaricatum is het gelukt om de hedendaagse meeldauwresistente kruisbescultivars te ontwikkelen.

Goed opgelost, zou je kunnen zeggen, maar zo werk de natuur natuurlijk niet. Na de eerste waarneming in 2001 worden sinds 2010 zwarte kruisbessen in toenemende mate in Nederland verwilderd aangetroffen. In 2015 werd de soort uit 2 kilometerhokken gemeld, in 2016 uit 3 en in 2018 al uit 8 kilometerhokken. In totaal is de soort nu in ongeveer 20 kilometerhokken waargenomen. Door de gelijkenis met kruisbes (Ribes uva-crispa) is het niet uitgesloten dat de soort over het hoofd gezien wordt en op meer plaatsen voorkomt.

Vooral in Noord-Europa lijkt de zwarte kruisbes zich op zijn gemak te voelen. In Noorwegen is de soort vanaf 1987 bekend uit de omgeving van Oslo. Naderhand werden ook verschillende groeiplaatsen langs de zuidwestelijke kust ontdekt. In het zuiden van Zweden is de soort vanaf 1998 op verschillende locaties aangetroffen. Inmiddels heeft de soort namen in de verschillende landstalen gekregen: svartstikkelsbær (zwarte kruisbes) in het Noors en spärrkrusbär (heggekruisbes) in het Zweeds. De eerste vondst op de Britse eilanden dateert uit 2003. In Nederland zijn waarnemingen bekend uit de provincies Drenthe, Zuid-Holland, Flevoland, Gelderland, Overijssel, Limburg, Noord-Brabant en Utrecht.

Als fruitgewas is de struik in Nederland in de handel onder de naam 'Worcesterbes'. De oorsprong van deze 'Worcesterbes' is niet helemaal duidelijk.

Aanvulling lijst exotische soorten

Op 14 juni 2019 is de lijst met uitheemse soorten die gehanteerd wordt in de Europese Unie uitgebreid met 17 plant- en diersoorten.

In de afweging om deze extra soorten op te nemen op de lijst wordt gekeken naar de ecologische schade die deze soorten veroorzaken en naar of de maatregelen in verhouding staan tot de mogelijke gevolgen. Daarbij heeft de Europese Commissie rekening gehouden met de inbreng vanuit de EU. Het voorstel met de onderstaande 17 soorten is aangenomen met een meerderheid van de stemmen.

Naar verwachting wordt de aanvulling op de lijst met uitheemse soorten begin juli 2019 door de Europese Commissie gepubliceerd, waarmee deze aanvulling vermoedelijk begin augustus 2019 van kracht wordt.

PLANTEN
- Wilgacacia (Acacia saligna)
- Hemelboom (Ailanthus altissima)
- Amerikaans bezemgras (Andropogon virginicus)
- Ballonrank (Cardiospermum grandiflorum)
- Hoog pampasgras (Cortaderia jubata)
- Roze rimpelgras (Ehrharta calycina)
- Smalle theeplant (Gymnocoronis spilanthoides)
- Oosterse hop (Humulus scandens)
- Japanse klimvaren (Lygodium japonicum)
- Chinese struikklaver (Lespedeza cuneata)
- Mesquite (Prosopis juliflora)
- Groot vlotvaren (Salvinia molesta)
- Talgboom (Triadica sebifera)

DIEREN
- Treurmaina (Acridotheres tristis)
- Nieuw-Zeelandse platworm (Arthurdendyus triangulatus)
- Zonnebaars (Lepomis gibbosus)
- Gestreepte koraalmeerval (Plotosus lineatus)

Kruiskwal

De Kruiskwal (Gonionemus vertens) is maar een kleine kwal met een doorsnede van maximaal 2.5 centimeter, maar hij is vaker een stuk kleiner en meet dan ongeveer een halve centimeter. Deze kwal is vrijwel doorzichtig en is in het bezit van wel 90 tentakels. Hij heeft als bijnaam clinging jellyfish omdat hij zich verbergt in zeewier.
De kruiskwal is inheems in kustwateren rond Japan en Rusland. Zijn oorspronkelijke domein is dus de noordoostelijke Stille Oceaan.

Het zal de lezer niet verbazen dat ook deze soort zich met enig enthousiasme over de aardbol heeft weten te verspreiden. De eerste meldingen buiten het oorspronkelijke leefgebied stammen uit de Verenigde Staten, waar exemplaren nu worden aangetroffen van de Aleoeten (in het noorden) tot zuidelijk California (in het zuiden). Daarna dook de kruiskwal op aan de Atlantische kusten van de US. Daarna was onvermijdelijk Europa aan de beurt en intussen zijn kruiskwallen gevonden in kustwateren van het Middellandse Zeegebied tot die van Scandinavië.

Nederland ligt daar precies tussenin en ook hier blijkt de kruiskwal in toenemende mate te worden waargenomen. Vooral in Zeeuwse wateren schijnt de kruiskwal zich enorm thuis te voelen. Kennelijk hebben de Deltawerken enkele minder positieve effecten gehad. Ook vanaf Texel is een enkele melding van een vondst van een kruiskwal, maar waar er eentje is, zeggen biologen, zijn er velen.

De kruiskwal is een invasieve exoot, maar dat is niet het echt slechte nieuws. Het blijkt dat deze piepkleine kwal behoorlijk giftig is als gevolg van neurotoxines. De kruiskwal gebruikt dat gif om visjes te verlammen, zodat die niet kunnen ontsnappen en rustig opgepeuzeld kunnen worden.
Eerst dachten biologen dat alleen de kruiskwallen in Aziatische kustwateren giftig zouden zijn en dat die giftigheid elders niet aanwezig zou zijn. Geen idee welk verward brein zoiets heeft bedacht, want ook hier zijn ze giftig. Mocht je met een kruiskwal in aanraking komen dan zullen je spieren daarvan de effecten merken en het zorgt voor een intense pijn. Uiteraard is de mens een veel grotere prooi dan een visje en de verlammingsverschijnselen zullen echt wel meevallen, maar niemand weet precies hoeveel kruiskwallen er in onze vaderlandse kustwateren leven. Stel dat je een zwak hart hebt en je bevindt je in een school van honderden van die kwallen...

Het advies is om laarzen te dragen als je gaat vissen of wadlopen in kustwateren met zeewier. Indien je wilt gaan zwemmen, doe dat dan in de Noordzee.

Rugstreep steurgarnaal

In Nederland is zijn een aantal steurgarnalen inheems, de gewone steurgarnaal (Palaemon elegans), de gezaagde steurgarnaal (Palaemon serratus), de langneussteurgarnaal (Palaemon longirostris) en de roodsprietgarnaal (Palaemon adspersus). Je zou dus denken dat die ecologische niche voldoende gevuld zou zijn.
[Foto: Natalia Zylowska]
Maar nee, de rugstreep steurgarnaal (Palaemon macrodactylus) heeft het nodig gevonden om zich ook in onze nationale wateren te vestigen. Het is een Aziatische soort die op het eerste gezicht sterk op andere Nederlandse steurgarnalen lijkt. De dieren hebben een doorschijnend lichtgrijs, bruin of wat groenachtig lichaam, met op de rug doorgaans een kenmerkende witte lengtestreep. De kleurpatronen variëren met de omgeving: in troebel water zijn meestal doorschijnender met minder kleur dan exemplaren uit helder water. Vrouwtjes worden tot 7 centimeter lang, terwijl mannetjes het met een schamele 4 centimeter moeten doen

In noordoostelijk Azië, het gebied van oorsprong, komt de soort voor in estuaria van rivieren. Deze soort is op het gemak bij iedere temperatuur, ieder zoutgehalte en ieder zuurstofgehalte. De rugstreep steurgarnaal heeft dus perfecte eigenschappen om de wereld over te trekken en zich overal succesvol te vestigen.

Rond 1956 werd het dier voor het eerst opgemerkt in de baai van San Francisco (USA). Van daaruit breidden ze zich snel uit naar andere gebieden in de regio, mede omdat ze als lokvoer in de visserij werden gebruikt. Toch duurde het tot 1992 voordat de rugstreep steurgarnaal ook uit andere werelddelen werd gemeld en in dat jaar werd hij voor het eerst waargenomen in het water van de Theems in Groot-Brittannië. Omdat de larven van de rugstreep steurgarnaal tot voor kort ongemerkt en ongestoord via het ballastwater van zeeschepen kon worden vervoerd, kon het niet uitblijven dat deze exoot zich ook in Nederland zou gaan vestigen.

Op basis van collectiegegevens wordt aangenomen dat de rugstreep steurgarnaal zich rond 1999 in de Westerschelde heeft gevestigd. Tijdens een inventarisatie in 2004 werd de soort aangetroffen langs de kust van IJmuiden tot Zeeland. Vanaf 2005 wordt de soort ook in de Zeeuwse Delta steeds vaker gezien door duikers van het Monitoringproject Onderwater Oever (MOO). Inmiddels zijn ook waarnemingen bekend uit de havens van IJmuiden, het Noordzeekanaal en de Waddenzee.

De rugstreep steurgarnaal vreet andere garnaaltjes en kreeftjes, terwijl deze garnaal zelf weer op het menu staat van vissen, vogels en mensen. In heel Azië bestaan recepten, waarin deze garnaal de hoofdrol vervult.

Al met al menen wetenschappers dat het met de impact van deze exotische steurgarnaal op de inheemse fauna en flora wel meevalt. Maar dát is niet het punt. Het punt is dat ze hier niet thuishoren.

Amerikaanse strandschelp

De Amerikaanse strandschelp (Mulinia lateralis) is een kleine zoutwater mossel. Hij komt van nature voor aan de westelijke kunsten van de Atlantische Oceaan, waar de soort zich een klein stukje in de bodem begraaft. De Amerikaanse strandschelp heeft ruwweg een driehoekige vorm en kan een doorsnede bereiken van 1,5 centimeter. Hij is wit tot gelig van kleur. Hij heeft de neiging om zich explosief te vermeerderen en bij tellingen zijn er wel 21,000 exemplaren per vierkante meter gevonden.
Het is dus niet een weekdier dat je in onze nationale wateren zou willen aantreffen, maar dat is nu wel het geval. In 2017 en 2018 hebben wetenschappers van Wageningen Marine Research voor het eerst in Europa exemplaren aangetroffen. De Amerikaanse strandschelp werd waargenomen in de zogenaamde voordelta (de Noordzeekust waar de rivieren de zee instromen), in de Waddenzee en in de Westerschelde. Ze voelen zich hier behoorlijk thuis, want er werden dichtheden gemeten tot bijna 6,000 individuen per vierkante meter.

Johan Craeymeersch van Wageningen Marine Research meent dat de Amerikaanse strandschelp de potentie om een invasieve soort te worden. Ja, dûh.

Volgens de onderzoekers staan heel hoge concentraties van fytoplankton en andere biologische materialen op het grensvlak van sediment en de waterkolom op het menu van deze strandschelp. Alles bij elkaar kan dit schelpdier 'in potentie' inheemse schelpdiersoorten gaan beconcurreren op het gebied van voedsel en ruimte. De onderzoekers denken daarbij met name aan de kokkel (Cerastoderma edule) en de halfgeknotte strandschelp (Spisula subtruncata).

Maar, volgens de onderzoekers heeft every cloud has a silver lining en dus wordt ook een positieve draai aan deze potentiële toekomstige ramp gegeven. De onderzoekers menen namelijk dat de nieuwe soort ook kansen kan opleveren in de vorm van een nieuwe of alternatieve voedselbron voor krabben, vissen, zeesterren en schelpdieretende vogels zoals de scholekster en zeeëenden.

Het is niet onderzocht hoe de Amerikaanse strandschelp precies in Nederland terecht is gekomen, maar het is meer dan waarschijnlijk dat larven van dit weekdier middels ballastwater van vrachtschepen veroorzaakt.

In 2017 is besloten dat in 2024 alle schepen ter wereld uitgerust moeten zijn met een ballastwaterbehandelingssysteem (BWMS). Zo’n systeem ontdoet het ballastwater van vrijwel alle organismen om zo het risico op de introductie van invasieve exoten via ballastwater te verminderen ofwel weg te nemen. Maar door allerlei internationaal gekissebis is deze maatregel natuurlijk veel te laat gebleken.

In de jaarlijkse schelpdierenmonitoring zal Wageningen Marine Research de Amerikaanse strandschelp nauwgezet volgen op ontwikkelingen in de populatie en ruimtelijke verspreiding.

Bron.

Black-eyed Susan

Ik hoor je denken: Black-eyed Susan? We zijn hier in Nederland en ik verwacht toch zeker een Nederlandse naam voor een niet-inheemse plant. Mocht je de Nederlandse taal (en flora) liefhebben dan moet ik je teleurstellen, want Black-eyed Susan (Rudbeckia hirta) is wel degelijk de geaccepteerde naam voor een inburgerende exotische soort. Of liever: soorten, want diezelfde naam wordt gebruikt voor een aantal sterk op elkaar lijkende familieleden. Het is een broertje van de Rode zonnehoed (Echinacea purpurea) en dus zou een naam als 'gele zonnehoed' een aanvaardbaar alternatief kunnen zijn voor de black-eyed Susan, ware het niet dat er al een soort met die naam bestaat: de yellow coneflower (Echinacea paradoxa).
Black-eyed Susan is een kruidachtig plantje dat inheems is in grote delen van Noord-Amerika. Deze soort is gerelateerd aan de zonnebloem en de familiegelijkenissen zijn natuurlijk wel duidelijk. Anders dan de zonnebloem is hij bescheiden van formaat en zal hij maximaal 90 centimeter hoog worden. Hij bloeit met prachtige gele bloemen met een zwarte harige kegel in het midden.

In ons land wordt de black-eyed Susan graag ingezaaid in allerhande zadenmengsels omdat ze zo goed bijen en vlinders aantrekken. De vraag is natuurlijk of dat wel zo'n goed idee is, want ook deze Susan houdt er niet van om gevangen te zitten en ontsnapt regelmatig uit tuintjes op zoek naar vrijheid.

In diens thuislanden worden de wortels en de bloemen van de black-eyed Susan door een aantal indianenstammen ingezet als medicinaal kruid. Het zou, volgens hen, werkzaam zijn tegen uiteenlopende zaken als verkoudheid, griep, infecties, zwellingen en (als papje aangebracht) slangenbeten.

Op diverse websites wordt gemeld dat uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat de black-eyed Susan positieve effecten op de gezondheid kan hebben, maar de resultaten van die onderzoeken moeten wel met een hele roze bril gelezen worden. Jawel, er zitten antioxidanten en daarvan wordt inderdaad alom gemeld dat die gezond zijn. Maar iedereen vergeet altijd te vermelden dat er véél meer antioxidanten in onze vaderlandse groente en fruit zit dan in een wortel of blad van een exotisch plantje.

Hetzelfde probleem heeft de rode zonnehoed en daarom stopt (ex-Dr) Vogel tegenwoordig ook vitamine C in hun tabletjes Echinacea forte. Want van vitamine C is wél bewezen dat het gezond is en dus kunnen ze claimen dat Echinacea met vitamine C de weerstand verhoogt.

Samengedrukte erwtenmossel

Erwtenmossel. Wat is dát nu weer voor een naam zo zul je je ongetwijfeld met enige verbazing afvragen. Welnu, erwtenmossels zijn kleine tweekleppige weekdieren die vrijwel uitsluitend in zoet binnenwater voorkomen. Wereldwijd zijn vele honderden soorten bekend die soms vrijwel niet van elkaar te onderscheiden zijn. De grootste soorten zijn maar weinig groter dan twee centimeter, terwijl de kleinste worden niet groter dan twee millimeter. Ook in ons land leven tientallen verschillende soorten. Bij meerdere soorten zijn de 'doubletjes' (beide kleppen op elkaar) nogal bol, zodat ze op erwtjes lijken.
De samengedrukte erwtenmossel (Euglesa compressa) heeft diverse familieleden die zich ook al ongemerkt hebben gevestigd. De driehoekige erwtenmossel (Euglesa supina), de geplooide erwtenmossel (Euglesa henslowana) en de dwerg-erwtenmossel (Odhneripisidium moitessierianum) gingen hem voor.

In Europa werden de eerste exemplaren ontdekt in 1940 in Noordoost-Duitsland. Later ook in de Elbe bij Hamburg (1961). In Frankrijk werd hij vervolgens in 1989 waargenomen. Onderzoek heeft uitgewezen dat de samengedrukte erwtenmossel al in 1993 voor het eerst werd aangetroffen in Nederland. Kenners menen dat deze minimosselsoort waarschijnlijk minimaal twee keer in Europa geïntroduceerd moet zijn, één keer voor de Tweede Wereldoorlog in Duitsland en later opnieuw in Frankrijk. In Europa verspreidt de samengedrukte erwtenmossel zich vermoedelijk door zich aan de romp van binnenvaartschepen vast te klampen en zich gewillig mee te laten voeren naar ons land.

Genetisch onderzoek heeft uitgewezen dat deze exoot inheems is in Noord-Amerika en dan wordt de potentiële route weer een stuk ingewikkelder omdat de samengedrukte erwtenmossel voornamelijk een zoetwaterliefhebber is.

De samengedrukte erwtenmossel komt vooral voor in grote rivieren en bewegende wateren als kanalen, laaglandrivieren en grote plassen. In Frankrijk komt de soort algemeen voor in de grote rivieren (Saône, Seine, Rhône en Rijn) en in Polen in het water van de Oder. In Nederland werden de eerste exemplaren ontdekt in de Rijn-Maasdelta, waar ze nu nog steeds zeer algemeen voorkomen. Het dier kan zich uitstekend via de grote rivieren naar het achterland verspreiden.

Hoewel meerdere soorten ook actief met hun voet kunnen rondkruipen, leven erwtenmossels gewoonlijk ingegraven in het bodemslik. Alleen de achterzijde steekt dan boven het substraat uit. Ze voeden zich door water aan te zuigen en daaruit de voedseldeeltjes te filteren. De dieren zijn tweeslachtig (hermafrodiet). Gewoonlijk worden de dieren niet ouder dan een jaar. Het is nog onbekend of deze exoot inheemse soorten zal verdringen.

Bron.