Curaçaos konijn (of Arubaans konijn)

Het Curaçaos konijn (Sylvilagus floridanus nigronuchalis), ook wel het en het Arubaans konijn genoemd, is een ondersoort van de eastern cottontail (Sylvilagus floridanus). Deze ondersoort komt uitsluitend voor op de eilanden Curaçao en Aruba, waar het dier in het Curaçaos Papiaments konènchi en in het Arubaans Papiaments conew, coneuof conenchi wordt genoemd.
De eastern cottontail (Sylvilagus floridanus) is de meest wijdverspreide en talrijke konijnensoort in Noord-Amerika en heeft een groot verspreidingsgebied dat zich uitstrekt van Zuid-Canada, via het grootste deel van de Verenigde Staten tot delen van Mexico, Midden-Amerika en de noordelijke regio's van Zuid-Amerika. Bekend om zijn kenmerkende pluizige witte staart, die op een katoenbol lijkt en waaraan de soort zijn naam dankt, leeft de eastern cottontail doorgaans in open velden, weiden en struikgewassen waar het gemakkelijk beschutting en voedsel kan vinden. Het is een voornamelijk herbivoor, schemeractief zoogdier dat zich voedt met grassen, kruiden, takjes en boomschors. Dankzij zijn aanpassingsvermogen aan door de mens veranderde landschappen, zoals voorstedelijke en agrarische gebieden, heeft de eastern cottontail stabiele populatieniveaus behouden en wordt het niet als bedreigd beschouwd. Het staat ook bekend om zijn hoge voortplantingssnelheid, waarbij vrouwtjes jaarlijks meerdere grote nesten kunnen produceren, wat bijdraagt aan zijn wijdverspreide aanwezigheid.

Van de eastern cottontail bestaan minstens 17 ondersoorten, waaronder dus het Curaçaos konijn en Arubaans konijn. Vermoed wordt dat het Curaçaos konijn (of Arubaans konijn) met de oorspronkelijke bewoners is meegenomen toen zij vanuit Venezuela kwamen en zich op de eilanden vestigden. Deze indianen jaagden in hun thuisland op de konijnen en brachten ze waarschijnlijk mee uit Venezuela, waarna de populatie op Curaçao en Aruba al snel groeide door het gebrek aan predatoren.

Zowel het Curaçaos konijn als het Arubaans konijn komn nog steeds voor op de eilanden, vooral in de vroege ochtend- en late middaguren tijdens zijn zoektocht naar voedsel. Overdag verschuilen ze zich onder doornige planten of in kuiltjes in het landschap, waarbij hun platte lichaam helpt om hen te camoufleren. Ze hebben de voorkeur voor jonge bladeren van struiken en grassen, en genieten ook van bonen en sappige blaadjes van de infrou-cactus (Opuntia caracassana), die de dieren zowel voedingsstoffen als vocht oplevert.

Een ondersoort?
Maar nu rijst de vraag wanneer een ondersoort een ondersoort kan worden. Je zou zeggen dat zoiets genetisch moet worden aangetoond, maar ik vrees dat biologen soms iets te enthousiast de titel 'ondersoort' uitdelen. De hoge temperatuur op de benedenwindse eilanden zorgt ervoor dat de eastern cottontail na verloop van tijd kleiner en slanker zal worden (denk aan de slanke katten in Zuid-Europa). Bovendien zal de kleur van de vacht zich aanpassen aan de vaak dorre omgeving en zal deze dus donkerder worden. Al die aanpassingen zaten al ingebouwd in het DNA van de eastern cottontail. Mag je het Curaçaos konijn (of Arubaans konijn) daarmee geen officiële ondersoort noemen? Sommige biologen noemen het geen 'ondersoort', maar een 'vorm'[1]. Daar kan ik het wel mee eens zijn.

[1] Hershkovitz: Mammals of Northern Colombia, Preliminary Report No. 6: Rabbits (Leporidae), with Notes on the Classification and Distribution of the South American Forms in Proceedings of the United States National Museum – 1950. Zie hier.

No comments:

Post a Comment