Ooit. Ooit was er een tijd dat je bidsprinkhanen alleen in Zuid-Europa kon tegenkomen. Maar het lijkt alsof Zuid-Europa naar Nederland is gekomen en tegenwoordig kun je de Europese bidsprinkhaan (Mantis religiosa) ook hier met enige regelmaat aantreffen. Deze opvallende soort werd voor het eerst in 2009 in Nederland aangetroffen. Eerst in Limburg, maar intussen heeft deze soort de weg naar het noorden ingeslagen. Tot een paar jaar geleden waren het nog losse meldingen, maar inmiddels zijn er ook jonge dieren gevonden. Dat betekent voortplanting. En voortplanting betekent: ze hebben zich in Nederland definitief gevestigd.
Hoe ze hier komen? Welnu, deels gewoon op eigen kracht. Ze kunnen namelijk vliegen. Dus als het warm genoeg is, komen ze een heel eind. Maar laten we ook niet doen alsof ze alles zelf regelen. Een deel reist gewoon mee met planten uit Zuid-Europa. Een gratis lift. Niemand die het doorheeft en ineens zit er een exemplaar in je nieuwe Mediterrane aankoop uit het lokale tuincentrum.
De Europese bidsprinkhaan houdt van warmte. En laat dat nu net iets zijn waar Nederland steeds meer 'last' van heeft. Waar een eipakket vroeger kapot zou vriezen in januari, overleeft het nu steeds vaker de winter. En als dat lukt, heb je het jaar daarna gewoon een nieuwe lichting Europese bidsprinkhanen rondlopen.
De Europese bidsprinkhaan valt namelijk op. Als enige insectensoort kan het zijn kop 180 graden draaien. Met een maximumlengte van zo'n 9 centimeter heeft het insect ook een aardig formaat. De vrouwtjes van de Europese bidsprinkhaan zijn doorgaans iets groter en zwaarder dan mannetjes, maar ter compensatie zijn de antennes en ogen van de mannetjes weer groter dan die van de vrouwtjes.
De kleur van deze soort varieert behoorlijk. Verschillende tinten geel, bruin, groen en soms zelfs zwart komen voor. Dit stelt biologen al meer dan 100 jaar voor een raadsel en is aanleiding voor talloze hypothesen en studies[1]. Een voorbeeld: Zet een larve van een gele Europese bidsprinkhaan op een groene ondergrond en hij zal uitgroeien tot een groen exemplaar.
Die driehoekige kop, die voorpoten die gevouwen zitten alsof er diep wordt nagedacht over het leven. Maar dat is dus gewoon wachten tot er iets voorbij komt dat opgegeten kan worden. Europese bidsprinkhanen zijn namelijk jagers, die geduldig afwachten tot er een prooi voorbij komt. Alles wat klein genoeg is, niet snel genoeg is en niet oplet, is een potentiële maaltijd.
Het idee dat zo’n dier inmiddels gewoon in Nederland leeft, voelt ergens nog steeds een beetje alsof er iets niet klopt. Toch? Alsof je een palmboom in een weiland ziet staan en denkt: huh?
Maar dit is dus precies hoe het gaat. Soorten schuiven op. Grenzen vervagen. En voor je het weet, ontwaar je op je terras ineens een Europese bidsprinkhaan die je aankijkt terwijl jij je koffie drinkt. Je voelt bijna dat hij denkt: is die prooi klein genoeg?
[1] Ergene: Homochrome Farbanpassungen bei Mantis religiosa in Zeitschrift für vergleichende Physiologie – 1953

No comments:
Post a Comment