Kaspische bloedrode aasgarnaal

De Kaspische bloedrode aasgarnaal (Hemimysis anomalia) is een zoetwatergarnaal met een grote zouttolerantie. Hij is inheems in de ondiepe delen delen van de Zwarte Zee, Zee van Azov en de oostelijke delen van de Kaspische Zee. Het is een garnaal die van niet al te zout water houdt en zich dus voornamelijk zal ophouden op plaatsen waar rivieren voldoende zoet water in de grote waterbekkens laten stromen. Deze garnalensoort komt daardoor historisch gezien in de rivierdelta's van rivieren die afwateren in de vorengenoemde waterbekkens.
Volwassen mannetjes van de Kaspische bloedrode aasgarnaal bereiken een lengte van 6 tot 13 millimeter. De vrouwtjes zijn in het algemeen iets groter van stuk. Deze soort is ivoorgelig van kleur of zelfs doorzichtig. Zijn naam heeft de soort te danken aan pigmentcellen in de carapax (het voorste deel van het exoskelet) en de telson (het achterste stukje van het exoskelet). De intensiteit van die rode kleur lijkt te maken te hebben met zijn gewoonte om juist bij de schemering het actiefst te zijn, want de kleur varieert als reactie op veranderend licht en temperatuursverschillen. In beschaduwde, donkere gebieden zullen deze garnalen een diepere rode kleur vertonen.

De eerste stap van de verspreiding van de Kaspische bloedrode aasgarnaal werd al in 50-er en 60-er jaren gezet toen niet zulke intelligente Russische wetenschappers het een goed idee vonden om de soort in andere rivieren als de Wolga te introduceren om ze tot visvoer te promoveren in viskwekerijen. Datzelfde gebeurde in viskwekerijen in de Baltische staten die toen nog bezet waren door de Russen. Van daaruit verspreidden ze zich naar de Baltische zee. Een andere route liep langs het in 1992 geopende Rijn-Donaukanaal: Via de Donau zou de Kaspische aasgarnaal via Hongarije, Oostenrijk en Slovakije in 1997 in de Rijn terechtgekomen zijn. In juni 1997 zijn ze voor het eerst in Nederland bij Amsterdam gevonden. Op 12 oktober 1999 werden de eerste exemplaren in Belgiƫ gevonden in een brakwater-vijver nabij de Antwerpse haven. In 2004 werd een exemplaar gevonden bij Antwerpen in een koelwatertank van het chemiebedrijf BASF.

Ik meldde in de eerste zin van deze column dat deze garnaal een hoge zouttolerantie heeft: van 0,5 tot 18 PSU (Practical Salinity Units). Gelukkig heeft het zeewater in de Noordzee een zoutgehalte van ongeveer 35 en dat van de Waddenzee ligt op 28. Dus is onze nationale garnaal veilig voor deze zijinstromer.

In de Amerikaanse Grote Meren, gelegen tussen de Verenigde Staten en Canada, is hij dus niet op eigen kracht gearriveerd. Daarvoor had hij ongefilterd weggepompt ballastwater nodig van zeeschepen.

No comments:

Post a Comment